Grote buren beperken armslag Kok in Europa

Een van de vernieuwingen van het paarse kabinet was het verlenen van prioriteit aan het landsbelang in de internationale verhoudingen. Dit accent deed aanvankelijk wat vreemd aan - alsof voorgaande kabinetten er anders over hadden gedacht. Maar allengs werd duidelijk wat ermee werd bedoeld.

Nederland is er altijd van uitgegaan dat een open Europese markt voor zijn export van vitaal belang was. Vandaar zijn ononderbroken steun aan de verdere ontwikkeling van de Europese Gemeenschap, de interne markt en de Europese Unie. Maar die steun zou niet langer onvoorwaardelijk worden gegeven.

De nieuwe assertiviteit mondde onmiddellijk uit in een fiks meningsverschil tussen de minister van Financiën en die van Buitenlandse Zaken. Nederland was bezig van netto-ontvanger van Gemeenschapsgeld te veranderen in een netto-betaler, met het vooruitzicht de contribuant te worden met de hoogste bijdrage per hoofd van de bevolking.

Schatkistbewaarder Zalm, zich gesteund wetend door zijn partij, de VVD, kondigde aan dat hij de kwestie als een majeur punt op de Europese agenda zou plaatsen. Van Mierlo bezwoer dat dit een benauwde benadering was van de Europese integratie. De voordelen die Nederland genoot wogen ruimschoots op tegen de jaarlijkse afdracht aan Brussel.

Een tijd lang werd weinig van de kwestie vernomen. Nederland vocht eenzaam een twist uit met Frankrijk over zijn gedogend drugsbeleid en verder bereidde het zich voor op het voorzitterschap van de Unie en het Verdrag van Amsterdam. Hoofdzaak was niet opnieuw te vervallen in de fout die in 1991 was gemaakt met de aanloop naar 'Maastricht'. Toen had Den Haag de partners een eigen federaal concept voor een nieuw verdrag voorgelegd, een onderneming die eindigde in een diplomatieke afgang. Ook waren de hardnekkige Nederlandse pogingen om Groot-Brittannië tegemoet te komen niet overal gewaardeerd.

Ditmaal prevaleerde de voorzitterstaak: het bereiken van compromissen, zo veel mogelijk binnen het Frans-Duitse kader. Voor het verdedigen van eigen Nederlandse verlangens bleef - op de, onbeslist gebleven, zetelverdeling in de Commissie en de stemverhouding in de Raad van Ministers na - nauwelijks ruimte over.

Intussen is de voorzittershamer nog niet neergelegd of minister Zalm heeft de partners weer de wacht aangezegd. Nederland wil via aanpassing van de verdeelsleutel voor de Europese begroting reductie van zijn netto-bijdrage, zo liet hij afgelopen weekeinde in Mondorf-Les-Bains op een informele bijeenkomst van de ministers van Financiën van de Vijftien weten. De voorgenomen uitbreiding van de Unie met landen in Oost-Europa zal de lasten aanzienlijk verhogen en, als er niets verandert, zal Nederland onder het gewicht van zijn bijdrage doorbuigen.

Den Haag staat in zijn wens niet alleen. Ook Duitsland, anders dan Nederland van ouds netto-betaler, eist vermindering van zijn lasten. De traditionele netto-ontvangers in de Unie tonen weinig begrip, wel het minst ten opzichte van het land van het succesvolle poldermodel.

Maar er is meer. Begin dit jaar omarmde de secretaris-generaal van Economische Zaken, L.A. Geelhoed, inmiddels overgestapt naar Algemene Zaken, in het economenblad ESB het concept van de beleidsconcurrentie. Niet langer was de ontwikkeling van Europees beleid op allerlei terreinen een Nederlandse prioriteit. Het verdiende de voorkeur om, onder het regime van een gemeenschappelijke munt, de lidstaten mededingingsgewijs te laten ontdekken welke aanpak de beste was.

Het succes van het poldermodel is niet vreemd aan deze revolutionaire verandering in de vaderlandse benadering van de Europese eenwording. Geelhoed waarschuwde tegen de neiging van “étatistische” lidstaten om hun meer dynamische partners in hun vrijheid te dwarsbomen. Hij noemde geen namen, maar de goede verstaander had genoeg gehoord.

Dat bleek tijdens de tweedaagse conferentie Challenging Neighbours die vorige week in Düsseldorf werd gehouden en waarover de correspondent van deze krant in Bonn uitvoerig berichtte. De minister van Economische Zaken van Noordrijn-Westfalen, Wolfgang Clement, hekelde daar de hevige concurrentie die Nederland zijn deelstaat aandoet op het gebied van verkeer en belastingen. Als voorbeeld noemde hij de ruimhartige Nederlandse geluidsnormen die het vliegveld van Düsseldorf ten opzichte van Schiphol op achterstand plaatsen. De Nederlandse werving van buitenlandse investeerders met behulp van lage belasting- en telefoontarieven, lage lonen en goedkope energie gaat volgens Clement eveneens ten koste van aangrenzend gebied.

Niet verrassend antwoordde minister Wijers volgens de Geelhoed-doctrine: “Op een vrije markt heeft ook Duitsland de vrijheid zijn eigen belastingstelsel aan te passen.” Minister Zalm wees anderzijds op gebieden waar de Duitsers een voorsprong hebben op Nederland: strengere controle op de sociale verzekeringen, beter toezicht op de bijstand, striktere regels voor arbeidsongeschiktheid, een doelmatig leerlingenstelsel in de bedrijven en veel en goed onderzoek dat leidt tot technologische innovatie. Als we van elkaar leren, hoeft er niet te worden geklaagd, leek de bewindsman, eveneens vrij naar Geelhoed, zijn Duitse gehoor voor te houden.

Zonder dat het openlijk wordt gezegd is de nadruk op het eigen nationale belang in Europees verband toch vooral ook een reactie op de mislukking met het federale concept van 1991: als Nederland zijn belangen niet kan veiligstellen in overeengekomen Europese structuren moet het maar meer voor zichzelf zorgen.

De federale benadering kwam uit de koker van Buitenlandse Zaken, het leerstuk van beleidsconcurrentie komt van Economische Zaken, het verzet tegen de groeiende bijdrage aan Europa van Financiën. De nieuwe assertiviteit past overigens in een Unie waar, sinds de invoering van het subsidiariteitsbeginsel in het Verdrag van Maastricht, voor nationaal beleid extra ruimte is gecreëerd.

Maar subsidiariteit blijkt zijn grenzen te hebben. In Düsseldorf en in Mondorf-Les Bains werd verzet aangetekend tegen al te grote Nederlandse bewegingsvrijheid. Natuurlijk, niet alleen Nederland profiteert van de Europese samenwerking. Terecht komt het op voor wat het als zijn belang ziet. Ook andere staten doen dat. Maar meer dan grotere lidstaten zal Den Haag rekening hebben te houden met zijn buurlanden. Die omstandigheid was in 1957 de belangrijkste reden om mee te doen aan de Europese eenwording.