Geef me je zieltje Thekla Chanelli

NEW YORK / SCHIPHOL. Er was een feest van een nieuw tijdschrift genaamd Black Book. Mijn agente zei dat het een goed idee was daarheen te gaan. Ze heet Jin. 's Ochtends om acht uur zit ze al op haar kantoor, en vaak zit ze er om half tien 's avonds nog. Ze zegt dat ze maar zes uur slaap per nacht nodig beeft. In het weekend beklimt ze muren om in conditie te blijven. Ze heeft me een keer uitgenodigd mee te gaan om ook zo'n muur te beklimmen.

Je moet speciale schoenen aan en je zit vast in een touw zodat je niet kunt vallen. Je kan wel je neus tegen de muur stoten, of je handen openhalen aan de uitstekende punten. Jin is erg goed. In tien minuten was ze boven.

Toen het mijn beurt was zei ik dat ik deze keer nog maar liever beneden bleef. Ze zei dat je niet bang moest zijn voor fysieke pijn. Ik legde uit dat ik nu juist wel bang was voor fysieke pijn, dat ik geestelijke pijn eigenlijk te prefereren vond boven fysieke pijn. Zij vond dat niet. Ik herinnerde me een discussie met iemand anders die in deze opvatting een bewijs zag voor mijn emotionele afstomping. “Met geestelijke pijn kan je spelen,” antwoordde ik, “met fysieke pijn niet.” En op de vraag hoe je dat dan voor elkaar kreeg zei ik, “door te oefenen, door elke dag te oefenen.” Eigenlijk net als het beklimmen van muren, maar dat bedacht ik pas later.

Nadat ik definitief geweigerd had de muur te beklimmen, gingen we koffie drinken.

“Je bent een tijger,” zei ik, “zoals je daar naar boven ging.” “Daarom ben ik ook je agent. Maar jij bent ook een tijger.”

Ik had haar mijn briefwisseling met het New Yorkse gasbedrijf Con Edison laten lezen. Con Edison beweerde dat ik illegaal gas zou aftappen. Zoiets kan ik natuurlijk niet op me laten zitten. Het kostte me veertien brieven van gemiddeld twee kantjes, maar uiteindelijk boden ze me hun excuses aan. Ze schreven me, “wilt u zo vriendelijk zijn al onze voorgaande brieven die we over deze zaak geschreven hebben te negeren”. Dat vind ik een ware overwinning op de bureaucratie. Als ze je vragen hun eigen brieven te negeren.

“Nou,” zei ik tegen Jin, “dat valt mee. Als het om Con Edison gaat wel, maar voor de rest ben ik heel meegaand.”

Jin had me een keer gezegd dat ze zou willen dat er een pil was voor drinken, eten, slapen en seks, zodat je het in één minuut achter de rug kon hebben. Ik legde uit dat dat een respectabele opvatting over dit leven was, maar niet de mijne. Wat ze trouwens die veertien uur op kantoor doet, behalve af en toe een fax van mij lezen en beantwoorden, weet ik nog steeds niet.

Sommige van mijn faxen maken haar aan het blozen, heeft ze gezegd. De New York Times wilde uit mijn stukje zelfs het woord 'tepel' halen, uit angst dat mensen aan het blozen zouden kunnen worden gemaakt. Bestaat er om onschuldiger woord dan tepel? Het ging nota bene om mijn eigen tepel.In Nederland is men, een enkele uitzondering daargelaten, uitgebloosd.

Toen Jin zich klaarmaakte voor de tweede keer de muur te gaan beklimmen, adviseerde ze me alle sporten ter wereld minstens één keer serieus te beoefenen en daar dan een serie over te schrijven. Ik zei dat dit een goed idee was, maar dat ik er nog even mee wilde wachten.

Een uur voor aanvang van het feest van Black Book spraken we af in een nabij gelegen café. Ze had een exemplaar van het tijdschrift meegenomen, zodat ik tenminste wist naar welk feest ik ging. Het was een tijdschrift gedrukt op glanzend papier, zoals er talloze tijdschriften zijn gedrukt op glanzend papier. De hoofdredacteur was jong en ambitieus. Hiervoor had hij een tijdschrift in Praag opgericht. Voor de ingang stonden twee uitsmijters die namen controleerden. Mijn naam stond niet op de lijst, maar die van Jin gelukkig wel.

Wat mij binnen opviel waren vooral de sigaren. Ik zag mannen met sigaren, vrouwen met sigaren, zelfs minderjarigen met sigaren. In ieder geval vrouwen die alles op alles hadden gezet er minderjarig uit te zien en daar ook redelijk in waren geslaagd. Het sigaren roken had een hoge vlucht genomen deze dagen.

Drie keer doorkruisten wij de ruimte die toch minstens zo groot was als het Zuiderbad. Ik liep achter Jin aan als een teckel. Zij zocht de hoofdredacteur.

Eindelijk vonden we hem. Hij was inderdaad jong en rookte ook een sigaar.

“Dit is Arnon,” zei Jin, “mijn cliënt over wie ik je verteld heb.”

Het is grappig hoe contacten tussen mensen bijna altijd weer kunnen worden teruggebracht tot diensten die worden geruild, verkocht, aangeboden of geveild.

Hij bood me een sigaar aan. Daarna zei hij: “Je komt uit Amsterdam hè, bestaat De Melkweg nog?”

Ik ben altijd blij als Amerikanen over De Melkweg beginnen. Dat is goed voor vijf minuten conversatie. Ik ben steeds economischer over sociaal-doen gaan denken.

Na zeven minuten zei ik tegen Jin: “Ik wil hier weg”. Er is niets mis met ambitie, maar het is jammer dat zij zo vaak gepaard gaat met een grote hoeveelheid domheid en bittere ernst.

Ik stelde voor nu maar naar het World Trade Center te gaan. 's Avonds kan je daar op de bovenste verdieping dansen.

We waren al bijna in de lift, toen de portier riep: “Meneer, u heeft gympies aan.”

Ik keek naar mijn schoenen, toen naar de portier, en daarna nog een keer naar mijn schoenen. “Dit zijn geen gympies,” zei ik, “dit zijn Italiaanse schoenen.”

“Dit zijn gympies,” zei de portier, “en mensen met gympies mogen niet naar binnen.”

Toen begon Jin te vleien, te vloeken en te smeken. Ik bloosde. Als ik ergens niet naar binnen mag, ga ik er niet naar binnen of ik laat twintig dollar zien. Maar uiteindelijk zei de portier: “Ga maar naar boven, maar als je daar wordt teruggestuurd is het mijn schuld niet.”

Niemand stuurde ons boven terug. Het was er te vol en te donker om schoenen van derden te zien. “Zie je,” zei ik, “wie van ons tweeën de tijger is.”

Een paar dagen later vloog ik voor twee dagen naar Nederland om het boekenweekgeschenk te editen, voor te lezen op het Crossing Border Festival en de nieuwe Monique van de Ven te ontmoeten.

De nieuwe Monique van de Ven zou voor de Delta-balie op Schiphol staan, twee uur voor mijn vertrek terug naar New York. Antonie Kamerling zou er ook zijn, want hij en de nieuwe Monique van de Ven gaan, als alles goed gaat, in een film spelen waarvan ik het script heb geschreven. Men had mij gezegd: “Voor de hoofdrollen hebben we Antonie Kamerling en de nieuwe Monique van de Ven.”

Antonie Kamerling had op het laatste moment afgezegd. Volgens zijn agent moest hij repeteren. Maar misschien had zijn agent wel gezegd: “een keer die jongen ontmoeten, en daar gaat je carrière.”

Zo was ik alleen met de producente en de nieuwe Monique van de Ven, die trouwens Thekla heette.

Ze zag eruit als een engeltje en was zwaar verkouden.

We gingen koffiedrinken en wisselden beleefdheden uit. Ik stelde de vragen, dat doe ik nu eenmaal het liefst.

Op een gegeven moment zei ze dat ze half van Italiaanse afkomst was. Ik vroeg waarom ze niet haar Italiaanse naam gebruikte. “Thekla Chanelli”, zei ik, “dat werkt toch veel beter dan die naam die je nu hebt.”

“Het lijkt net alsof ik dan meer wil zijn dan ik ben”, zei ze. “Luister, uit alles blijkt dat je meer wilt zijn dan je bent, en daar is niets mis mee, je bent ambitieus, dus waarom bescheiden doen als het op je achternaam aankomt.”

Sommige mensen zijn geïnteresseerd in lichamen, ik ben geïnteresseerd in zieltjes. Eigenlijk is dat de dienst die ik steeds weer aanbied: geef me je zieltje en ik zal er iets moois van maken.

En wie doorvraagt, wie de kunst van het vragen stellen verstaat, komt vroeg of laat tot de ontdekking dat de zieltjes van de mensen voor het oprapen liggen. Dit is een redelijk gruwelijke ontdekking.

Eigenlijk had ik willen zeggen: “Thekla Chanelli geef me je zieltje en ik zal er iets moois van maken. De naam Thekla Chanelli laat me niet meer los.” Maar dat zei ik niet. Het gesprek was te kort en Thekla Chanelli was jong en serieus. En serieuze mensen hebben veel tijd nodig eraan te wennen dat ze hun zieltje gaan ruilen voor iets anders.

Natuurlijk niet iedereen wil zijn zieltje ruilen voor papieren liefde. Maar hoe groter de honger naar het leven, hoe groter de behoefte te vluchten uit deze werkelijkheid, hoe eerder men zijn zieltje zal willen ruilen.

Ten slotte moest ik nog met Thekla Chanelli op de foto en de producente gaf me mijn door Paul Ruven bewerkte script.

In het vliegtuig las ik het. Als hij mijn boeken had bewerkt had ik nu nog in de keuken van Schiphol gestaan. Maar het komt uit een goed hart en het was bedoeld om het filmfonds gunstig te stemmen. Dus waarom zou ik klagen?

Bovendien was ik aan het nadenken over het zieltje van Thekla Chanelli.