Gedreven roman van Monika van Paemel; Voorwaarts op de puinhoop van het verleden

Monika van Paemel: Rozen op ijs. Meulenhoff, 420 blz. ƒ 59,90 (geb.)/ƒ 44,90 (pbk)

De mannen deugen niet en de vrouwen zijn dom, omdat ze zich door die mannen laten ringeloren. Mannen willen macht en vrouwen willen zich opofferen en aardig gevonden worden, tegen beter weten in. Door de jaren heen, vanaf haar debuut Amazone met het blauwe voorhoofd (1971), valt deze grimmige boodschap te beluisteren in het werk van Monika van Paemel. En hoewel zij vanaf het begin deze wantoestand in even lyrische als boze bewoordingen aan de kaak heeft gesteld, is er blijkbaar in de zesentwintig jaar die sindsdien zijn verstreken niets gebeurd dat haar oordeel heeft kunnen verzachten. Want ook in haar nieuwe, zesde roman Rozen op ijs is het de man die de rol van kwade genius krijgt toebedeeld, terwijl de vrouwen proberen de brokstukken weer aan elkaar te lijmen. 'Wij zitten tenslotte met de gebakken peren', zoals grootmoeder Sido zuchtend vaststelt, namens alle vrouwen.

Je zou Van Paemels werk als een aanklacht tegen de stamboom kunnen zien, waarin vrouwen traditioneel maar de aanhangsels vormen, de dode takken die de naam van de vader niet doorgeven. In haar romans komen veel mannen voor, grootvaders en ooms vooral en daarnaast een onafzienbare stoet minnaars, maar de belangrijkste rollen worden vervuld door grootmoeders, tantes en dochters, met als opvallend ontbrekende schakel de moeder. Zij is er wel, maar onzichtbaar, op afstand, op de achtergrond, als degene die haar dochter vanaf de geboorte tot een ondergeschoven kind reduceerde. Hoe overstelpend ook de liefde van de stiefmoeders mag zijn, het is een gemis dat de dochter nooit meer helemaal te boven zal komen.

Dit van oorsprong autobiografische gegeven - Van Paemel werd opgevoed door grootouders en andere familieleden - bouwde zij uit tot een algemene visie op het leven, waarin het meisje per definitie minder waard wordt geacht dan een jongen, omdat het haar aan spierkracht, lef, vechtlust, doorzettingsvermogen en verstand zou ontbreken. Het is een visie die kennelijk ook door vrouwen gedeeld wordt, want waarom zouden zij anders zo opofferingsgezind zijn, zo aanpassingsbereid en zo genegen tot ondergeschiktheid?

De romans van Van Paemel zijn bij al hun felheid en stelligheid dubbelzinnig - en dat maakt ze sympathiek. Het gevit op mannen keert zich ook tegen de vrouwen zelf. Want er is niemand die van hen eist dat ze in zee moeten gaan met vrouwonvriendelijke types, onverbeterlijke macho's of zelfingenomen kwasten, laat staan ermee te trouwen of er kinderen van te krijgen? In haar vorige grote roman, De vermaledijde vaders (1985), werden niet alleen de vaders aangeklaagd voor hun dubieuze rol in verschillende oorlogen, maar ook de moeders, de dochters en de zusters die de gruwelen op aarde mede mogelijk maken door zich lafhartig gedeisd te houden. Om aan deze rampzalige gang van zaken te ontkomen en met een schone lei te kunnen beginnen is het noodzakelijk voor vrouwen om uit de collectieve geschiedenis een eigen verhaal te destilleren, zo hield zij haar lezers voor. Haar hoofdpersoon, Pamela, gaf het goede voorbeeld door in de vaderlandse geschiedenis plaats en ruimte te maken voor zichzelf en haar hoogstpersoonlijke ervaringen.

Rozen op ijs is een even omvangrijke als waardige opvolger van De vermaledijde vaders, en trouwens ook voor een deel een reprise ervan. Pamela heet nu Perla, Perla van Puynbroeck om precies te zijn, zodat al meteen de toon is gezet voor een verhaal met veel verwikkelingen en misère. Allebei herinneren ze zich, om maar eens een overeenkomst te noemen, Robbie de zeehond als hun lievelingsboek. Allebei zijn ze ongewenste dochters van een harteloze moeder en een vader die in de Tweede Wereldoorlog gehavend uit Stalingrad is teruggekeerd. Allebei zijn ze ervan overtuigd dat ze pas kunnen herademen als ze afgerekend hebben met hun verleden: de veeleisende erfenis waarmee ze door vorige generaties zijn belast. En allebei zijn ze boos: op hun ouders en voorouders, hun afkomst, de mannen, op zichzelf en de wereld, die hen niet in staat stelt zich, als meisje en als vrouw, ten volle te ontplooien.

In formeel opzicht is Rozen op ijs wat gewoner, evenwichtiger van stijl, toon en opbouw dan De vermaledijde vaders. Hoewel men zich ook hier moet instellen op een associatieve manier van vertellen en niet hoeft te rekenen op een ordentelijk verhaal waarin de feiten overzichtelijk en in chronologische volgorde gepresenteerd worden, zorgt het steeds gelijkblijvende perspectief - dat van Perla - voor het nodige houvast. Daardoor is de roman als geheel mooier afgerond en overtuigender nog dan zijn voorganger, die vooral schitterde in onderdelen.

Ook deze keer werd ik meegesleept door Van Paemels gedrevenheid, die zich aan praktisch elke zin meedeelt en door de enorme dichtheid van de roman. Het liefst heeft zij haar lezers op verschillende tijdstippen en plekken tegelijk: in het vliegtuig naar de Noordpool, in de New-Yorkse taxi van een gevluchte Rus, op het erf van de grootouders, in de met rozen overwoekerde tuin van het gammele villaatje dat Perla deelde met haar depressieve ex-echtgenoot of in bed bij Sam, een van haar minnaars. Ik zal niet zeggen dat alle episodes waarin wij worden binnengevoerd, even sterk zijn. Hoe Perla bijvoorbeeld in voornoemde Sam haar grote liefde kan zien, die haar behalve zijn lichaam vooral loze beloftes en holle frasen te bieden heeft, blijft duister. Zo wil het mij ook niet duidelijk worden waarom al haar minnaars joods zijn, behalve misschien om ook hen stilzwijgend met een barre erfenis op te zadelen. Tegenover de wat zwakkere passages staan de scherpe, maar liefdevolle karaktertekeningen van grootvader Charles en grootmoeder Sido en de vele terugblikken op een jeugd op het Vlaamse platteland.

Rozen op ijs is een gedurfde roman, die een stap verder gaat dan De vermaledijde vaders. Hier zien we geen schrijfster meer aan het werk, die vanachter haar bureau de geschiedenis herschikt, maar iemand die daadwerkelijk wil ingrijpen in het maatschappelijk en universeel bestel. Perla kan zich met de puinhoop van haar verleden, het zootje dat haar voorouders ervan hebben gemaakt, alleen verzoenen als zij er consequenties aan verbindt, er een zinvol vervolg aan geeft. Haar streven richt zich daarbij niet langer op haar persoonlijke leven, dat zij als min of meer mislukt beschouwt, maar op de wereld als geheel.

De liefde, dat moet wel het ware thema van de roman zijn en de geheime inspiratiebron van Van Paemels heldin. Al haar ontgoochelingen op liefdesgebied (onverschillige ouders, een mislukt huwelijk, slechte ervaringen met minnaars, schuldgevoelens jegens haar enige dochter die zij, op haar beurt, tekort meent te doen) hebben het verlangen naar overgave niet kunnen dempen. Zij laat zich meeslepen in een ondergrondse milieuorganisatie die paal en perk wil stellen aan de aantasting van de regenwouden, de vergiftiging van de wereldzeeën, de uitroeiing van dieren, kruisraketten, onderzeeboten en atoomproeven. 'Een druk op de knop volstond om dood en vernietiging te zaaien', zo stelt Perla somber vast. 'Als de rook van de giftige paddestoel was verdwenen aanschouwden zij vol ontzag het landschap van de toekomst, een desolate puinhoop.'

Deze puinhoop wil 'de groep' trachten te voorkomen, desnoods kwaadschiks. Al snel komt Perla erachter dat het in de groep, die kwaad met kwaad wil vergelden, ook niet pluis is, en dat er door de groepsleden een 'vuile, clandestiene oorlog' wordt gevoerd. Er worden vreemde machtsspelletjes gespeeld en voor de leider, een kille vrouwenhater, tellen mensenlevens niet als het om het goede doel gaat. Hij zou liever geen vrouwen in de organisatie hebben, maar ziet wel in dat hij niet zonder ze kan, omdat ze, anders dan de meeste mannen, de lastigste klusjes op zich willen nemen 'in het volste vertrouwen dat ze bezig zijn de kluit te redden.'

Een belangrijke vraag die deze roman oproept, is of de kluit inderdaad te redden valt. Is de onbaatzuchtige liefde die, zoals Van Paemel lijkt te willen suggereren, vooral door vrouwen wordt geïnvesteerd in zoiets als het algemeen belang, wel op haar plaats? Pas aan het slot van de roman, als Perla's levensgevaarlijke noordpoolmissie toch nog met een sisser afloopt, wordt deze vraag met een volmondig ja beantwoord. Om althans de beroepslezers niet vierhonderd bladzijden lang in onzekerheid te laten, verschafte Van Paemels uitgeverij al bij voorbaat een interpretatieve aanwijzing. In een persbericht maakte zij er melding van dat de schrijfster 'actief betrokken' is 'bij de humanitaire hulpverlening aan de slachtoffers van de Bosnische burgeroorlog.' Ik weet niet wat men zich precies moet voorstellen bij deze hulpverlening, maar duidelijk wordt wel dat zij zich niet alleen op papier, maar ook in werkelijkheid inspanningen getroost voor de mensheid.

Het zijn, als we Van Paemel mogen geloven, vooral de vrouwen die zich niet neer kunnen leggen bij het vooruitzicht dat de wereld naar de kelder gaat als er niets gedaan wordt en dat we straks moeten sterven in de wetenschap dat we alleen maar machteloos hebben toegezien. De ambities van haar heldin zijn evenwel bescheiden. 'Zij weet dat ze niet veel kans maakt om het tij te keren, dat ze een radertje is in een mechanisme dat doldraait. Dat ze ingaat tegen het streven van altijd groter en altijd meer, van altijd voorwaarts en niet geaarzeld!'

Of de wereld en de mensheid werkelijk gered kunnen worden van een wisse ondergang, is natuurlijk ook voor Van Paemel de vraag, maar zij acht het de moeite waard om het, met of zonder groep, te proberen. Liefde voor alles wat groeit en bloeit is de noodzakelijke voorwaarde voor deze reddingsoperatie, en die propageert zij dan ook, tegen alle verdrukking in. Er is een soort domme overgave voor nodig, een verlangen niet zozeer om aardig gevonden te worden alswel om aardig te vínden, een geloof in ongerijmdheden misschien wel. Neem bijvoorbeeld die ene ongerijmdheid die door de titel van de roman tot uitdrukking lijkt te worden gebracht: dat rozen, symbolen bij uitstek van de liefde, ook in de ergste kou, op het ijs van de noordpool desnoods, zouden kunnen overleven.

Uit Monika van Paemel: Rozen op ijs:

Charles en Sido hadden het er gedurig over dat je verder moest kijken dan 'je neus lang is', een stelletje onverbeterlijke optimisten, die probleemloos een generatie konden overslaan. Al plantten ze geen bomen meer zoals hun ouders en die daarvoor hadden gedaan, omdat de bomen de tijd niet was gegund om een bos te worden, hun kinderen bleven ze zien als de zekerste belegging voor de toekomst. Het kwam niet bij ze op dat hun erfgoed zou worden verkwanseld en zij voor niets hadden geleefd.

'Wij hebben jou toch?' zeiden ze en Perla bracht het niet op voor hun liefde te bedanken. Zij hadden haar voortgebracht, ze zat aan hen vast.