F. van Heek: Het geboorte-niveau der Nederlandse rooms-katholieken, 1954

F. van Heek: Het geboorte-niveau der Nederlandse rooms-katholieken. Een demografisch-sociologische studie van een geëmancipeerde minderheidsgroep. Stenfert Kroese, 1954, 201 blz. Niet meer leverbaar.

Nederland maakt zich zorgen. Als de meerderheid niet uitkijkt, zou de minderheid haar wel eens kunnen gaan overvleugelen. Want zij daar, die nu nog maar veertig procent van de bevolking uitmaken, baren kinderen en nog eens kinderen, terwijl de meerderheid het juist rustiger aan doet. 'Dat is het meest schunnige, belazerde, onderkruiperige, besodemieterde deel van ons volk! (...) Die planten zich voort! Als konijnen, ratten, vlooien, luizen', tiert Lodewijk, een personage in een roemruchte roman.

De consequenties daarvan mogen niet onderschat worden. Wat te denken bijvoorbeeld van de toenemende criminaliteit? Die grote gezinnen alleen al zijn daarvoor een broeierige voedingsbodem. Hoe meer kinderen, hoe minder 'gezonde en harmonische eenheid'. Om nog maar te zwijgen van het broodnodige, maar bij veel minderheden mankerende, leiderschap van de vader. Op 'huilerige toon' tracht hij zich te distantiëren van zijn crimineel kind. 'Hij heeft altijd zijn plicht gedaan (tegenover God ..., zoals nog vaak wordt toegevoegd!). Die plichtsbetrachting bestaat veelal uit het verwekken van een groot aantal kinderen; van de verdere opvoeding trekt hij zich gewoonlijk niet veel aan', aldus psychiater Havermans.

Deze golf van angst - voor de dreigende overbevolking en de aanstaande overheersing van één godsdienstige groep - overspoelde Nederland eind jaren veertig/begin jaren vijftig. Bijna 58 procent van de Nederlanders vond de geboortegolf een 'ongunstig verschijnsel', zo peilde het NIPO in 1949. De schrijver W.F. Hermans liet in de roman Ik heb altijd gelijk (1951) zijn Lodewijk razend uitschreeuwen: 'Het hoogste kinderaantal van de wereld! Dat hebben wij! Het laagste sterftecijfer! In tien jaar gegroeid van acht tot tien miljoen, dat zijn wij! De hoogste bevolkingsdichtheid van Europa, die kun je vinden bij ons. Maar geen huizen! Verrekken kan je in de kou!' De bevolkingsgroep die oprukte, was niet islamitisch maar rooms-katholiek. 'Over twintig jaar is heel Nederland katholiek', aldus Lodewijk.

Drie jaar na Lodewijks prognose - in 1954 (het jaar van het bisschoppelijk mandement De katholiek in het openbare leven van deze tijd dat de maatschappelijke apartheid verder moest schragen - publiceerde de Leidse socioloog Van Heek een studie waarin de demografische bom nader werd geanalyseerd. In Het geboorte-niveau der Nederlandse rooms-katholieken poogde hij te verklaren waarom de katholieken maar liefst 63,2 procent meer kinderen kregen dan de onkerkelijken, 44,6 procent meer dan de hervormden en 13,6 meer dan de gereformeerden.

De studie was een toonbeeld van de sociologische wetenschap, die in Nederland toen nog in de kinderschoenen stond maar door Van Heek volwassen werd. Voor de oorlog had Frederik van Heek (1907-1987) daartoe de aanzet gegeven met studies over de Chinese gemeenschap in Nederland (1936) alsmede over de drooglegging en kolonisatie van de Wieringermeer (1938). Daarna zouden er nog vele relevante studies volgen, onder andere naar de onderwijsprestaties van kinderen gerangschikt naar hun sociale positie, maatschappelijke mobiliteit, de verzorgingsstaat en het verschijnsel actieve euthanasie.

Toen Van Heek aan zijn werk begon, was de theorie gemeengoed dat het allemaal wel los zou lopen als de urbanisatie zou voortschrijden. In steden plegen de gezinnen immers kleiner te zijn dan op het platteland. Van Heek vond dat echter een te simpele verklaring. Hetzelfde gold voor de invloed van industrialisatie. Ook die ontwikkeling dempte volgens hem de vruchtbaarheid niet per definitie en zeker niet onmiddellijk. De gezinnen in Eindhoven waren bijvoorbeeld veel groter dan die in Drenthe. Deze algemene verklaringen lieten kennelijk iets buiten beschouwing: de factor godsdienst. Het werd dus tijd voor een paar dwarsverbanden.

Van Heek onderscheidde drie hoofdoorzaken voor de katholieke explosie. Ten eerste de ethiek van Rome en haar verwerking in Nederland. Ten tweede de sociaal-economische omstandigheden in de katholieke regio en hun invloed op de demografische trends. En ten derde de historische positie van dit geloof.

De theologische uitgangspunten van de kerk waren duidelijk. Paus Pius XII had het zo geformuleerd: de Schepper heeft het huwelijk niet gecreëerd 'als persoonlijke vervolmaking van de echtgenoten' maar als middel tot 'voortbrengen en opvoeden van nieuw leven'. In Nederland werd dat heel letterlijk genomen. Begin jaren vijftig waren de Nederlandse katholieken volgens Rome nog een voorbeeld voor de hele wereld.

Maar het Vaticaan kon, zo bleek Van Heek, niet de enige oorzaak zijn. Vergeleken met omringende landen was Nederland in demografisch opzicht namelijk een opmerkelijke uitzondering. Nergens sloeg de geboortegolf na de oorlog zo toe als hier. In België was het geboorte-surplus tussen 1948 en 1952 ongeveer 4,5 promille, in Zwitserland 7,7 en in het hyperkatholieke Ierland 8,8. In Nederland bedroeg het surplus daarentegen 15,7 promille. Bij nadere beschouwing was er maar één parallel te trekken: namelijk tussen Nederland en Zwitserland, waar het geboorteniveau der katholieken zich ook onderscheidde van dat der calvinisten.

Deze overeenkomst moest derhalve in een godsdienstige richting wijzen. Om er achter te komen of Nederlandse katholieken een ander bewustzijn aan de dag legden dan hun geloofsgenoten in bijvoorbeeld België en Duitsland onderzocht Van Heek de kerkgang in enkele grensgebieden. Wat bleek? In Nederland waren de katholieken veel trouwer jegens hun parochie dan over de grens. Ze gingen niet twee keer per jaar naar de kerk maar bijna elke zondag. In Nederland beschikten de katholieken zodoende over een 'groter weerstandsvermogen' tegen de gevolgen van industrialisatie en urbanisatie, concludeerde Van Heek.

Maar waarom waren de Nederlandse katholieken zo praktizerend? Volgens Van Heek moest de verklaring in de geschiedenis worden gezocht, en wel bij de onderdrukking van de katholieken in de Republiek. Door die repressie waren de katholieken eeuwenlang geïsoleerd geweest, hetgeen zich onder meer uitte in een relatief laag opleidingsniveau. Maar tegelijkertijd bood de protestantse dominantie ook een uitweg. De katholieken gingen niet in een hoekje zitten mokken. Nee, ze begonnen zich te spiegelen aan de strenge calvinisten, die zich ook in de minderheid waanden maar daartegen zelfbewust ten strijde trokken. De katholieken namen niet de 'wat lakse libertijnse' regentencultuur over maar kopieerden hun grootste tegenstanders op religieus terrein. Een treffend voorbeeld van deze 'calvinistische penetratie' was de heftigheid waarmee de clerus zich in de negentiende eeuw verzette tegen het carnaval, dat toen uit de buurlanden begon door te dringen. Kortom, de Nederlandse katholieken wilden helemaal niet 'bourgondisch' zijn, zoals het cliché wilde.

Dit katholieke zelfbewustzijn was eind negentiende eeuw al aangewakkerd door de mogelijkheden die de emancipatie (1853) en de pacificatie (schoolstrijd en verzuiling) boden. Apart zijn, maar vooral niet eeuwig apart blijven, was de marsroute geworden. De rigide strijd tegen geboortebeperking was daarbij een belangrijk instrument. Voor de pacificatie was het aandeel der rooms-katholieken stabiel geweest - het was tot 1880 zelfs een beetje gedaald - daarna werd het terrein in reuzenstappen ingehaald.

Maar op zich verklaarde deze 'frontmentaliteit', die Van Heek ontleende aan het theoretische raamwerk van de Britse historicus Arnold Toynbee, nog niet de voortplantingsdrift sinds 1945. Volgens de socioloog had het klimaat na de bevrijding de katholieken het laatste zetje gegeven. De wederopbouw bood voor het eerst de kans om de heimelijke ambities, zowel maatschappelijk als cultureel, ook daadwerkelijk te etaleren. De handen moesten uit de mouwen, ongeacht afkomst en verleden. En met het idee 'eenheid in verscheidenheid' konden tegelijkertijd de verzuilde grenzen worden bewaakt.

Restte de vraag of het zo'n vaart zou lopen als Hermans romanfiguur Lodewijk drie jaar eerder had voorspeld. Uiteindelijk, aldus Van Heek, zouden industrialisatie en vooral urbanisatie de verschillende geloofsgemeenschappen toch doen convergeren. Wat bij de protestanten al zichtbaar was, zou zich ook bij de na-ijlende katholieken gaan voordoen. De clerus kon met zijn orthodoxe lijn de schapen niet eeuwig achter de dam houden. Als de geloofsgemeenschappen in het urbane Nederland nog meer 'langs elkaar zouden gaan schuren' zou de clericale hardnekkigheid de geloofsafval onder katholieken uiteindelijk juist kunnen bevorderen. De eerste tekenen van dissidentie zag Van Heek al bij bovengenoemde (katholieke) psychiater Havermans. In de laatste vijfentwintig jaar van de twintigste eeuw zouden de geboorteniveaus dan ook genivelleerd zijn, zo voorspelde hij met een wetenschappelijke slag om de arm.

Hetgeen inderdaad geschiedde. W.F. Hermans, althans zijn Lodewijk, had nu eens geen gelijk.