Derek Walcott, meester van het meeslepen; IJsberen in de tropische hitte

Derek Walcott: The Bounty. Faber & Faber, 78 blz. ƒ 62,95 (geb.), ƒ 35,- (pbk)

'Evocatie': dat is een woord waar ik het altijd al moeilijk mee heb gehad. En nog meer met het werkwoord waarvan het is afgeleid, 'evoceren'. Het zijn te dure woorden, bijna altijd gebruikt om iets vaags mee uit te drukken - al zal het er ook wel iets mee te maken hebben dat ik nog steeds niet weet hoe 'evoceren' moet worden uitgesproken: met een k- of een s- klank. 'Evoceren' betekent te voorschijn roepen, voor de geest roepen, oproepen. In het geval van schrijvers en dichters heeft het dus al gauw iets 'pleonastisch', want die doen in de praktijk niets anders dan met woorden iets uit het niets oproepen. Wie een dichter prijst ('evocatie' wordt louter in gunstige zin gebruikt) om zijn 'prachtige evocatie van een stille voorjaarsdag op het land' beweert niets meer dan dat het vers daarover gaat, en dat de bespreker het mooi vond. Het evoceren zelf blijft een wonderlijk iets, zoals ook blijkt uit de voorbeeldzin die Van Dale bij het lemma geeft: 'hij wist op magische wijze de ruimte te evoceren.'

Derek Walcott lijkt mij een meester van de evocatie. Daarmee bedoel ik dus dat er weinig dichters zijn bij wie ik mij zo sterk verbeeld het beschrevene voor mij te zien, en vaak zelfs meen erin opgenomen te zijn. En ook: dat ik niet snap hoe dat kan. Is het zijn oog voor sprekende details, in het bijzonder het stemmingsdetail: geluiden, geuren, lichtval, couleur locale? Is het het rijm dat de lezer de verbeelding in trekt? Zijn het de beelden, en de vermenging van beelden, die een soort net om de evocatie spannen? Of is er een stille kracht werkzaam in het deinende ritme, de steeds weer nieuwe golven met beelden die op het strand van zijn gedichten worden afgezet, waardoor de lezer als het ware wordt bedwelmd? Ik weet het niet. Walcott is een dichter van veel komma's en weinig punten, dat laat zich in ieder geval objectief vaststellen. En van lange versregels - ook altijd goed voor het gevoel meegesleept te worden.

Walcotts nieuwe bundel The Bounty begint met de evocatie van een zonsopgang aan zee op een Caraïbisch eiland, gevolgd door het ontwaken van de natuur, waarna binnen enkele regels een hele reeks beelden en verwijzingen het gedicht binnenstroomt: van de zon, de zee, het strand en de broodboom tot aan Dante, Jesaja, John Clare, Johannes de Doper en het paradijs. Wie bij het opslaan van de bundel nog niet wakker was, is dat binnen enkele regels alsnog. De woorden komen in brede verzen aangegolfd, volgens het terzinenschema van Dantes La Divina Commedia, dat ook de grondslag vormde van Walcotts epos Omeros. Dat begon trouwens ook met een zonsopgang. Daarmee is meteen de vraag beantwoord wat Walcott na het voltooien van dat meesterwerk (in 1990) en na het in ontvangst nemen van de Nobelprijs daarvoor (in 1992) heeft gedaan: hij is gewoon op dezelfde voet doorgegaan. Die eerste afdeling, zeven lange zangen onder de titel 'The Bounty', zou een afdeling uit of een appendix bij het epos kunnen zijn. Het is bedoeld als een in memoriam voor Walcotts moeder, maar net als Omeros is het veel dingen tegelijk: een beschrijving van de natuur op het eiland dus, een verhandeling over dood en leven en over Oost en West en zwart en blank, een onderzoek van het eigen dichterschap; het bevat jeugdherinneringen, een gebed voor de overledene, een uitweiding over de tuin van Eden, terwijl ook de lotgevallen op het schip The Bounty, bekend van de muiterij, een rol spelen. Maar het is naast dit alles vooral een lang gedicht over 'the bounty' (de overvloed, de rijkdom) van de aarde en de natuur, en meer in het bijzonder: over de vreemde ervaring dat die rijkdom zich elke dag weer aandient, ondanks alle verdriet, ellende en dood. Walcott eindigt met de opdracht die zijn moeder hem meegaf:

to write of the light's bounty on familiar things

that stand on the verge of translating themselves into news:

the crab, the frigate that floats on cruciform wings, and that nailed and thorn-riddled tree that opens its pews

to the blackbird that hasn't forgotten her because it sings.

De aandacht voor het alledaagse is wel een van de opvallendste eigenschappen van Walcotts poëzie, en dan vooral de aandacht voor het alledaagse dat op het punt staat symbolische betekenis te krijgen. De christelijke beelden in de daaropvolgende regels zijn er voorbeelden van. En het lijkt me ook geen toeval dat de zingende vogel die de opsomming besluit een merel ('blackbird') is: gekozen om zijn alledaagsheid en om zijn kleur, en misschien ook wel omdat 'blackbird' een benaming is voor een als slaaf gevangen neger.

Het vertalen van het gewone in iets nieuws is wat Walcott in de tweede afdeling van zijn bundel vervolgens volop doet. Zij bevat zestig lange gedichten, met brede rijmende regels, zonder strofering: blokken tekst, kleine eposjes op zichzelf, waarin hij uitwaaiert over de hele wereld, over alle tijden en alle stemmingen, van toeristische clichés en nostalgische jeugdherinneringen tot kalme berusting en verkenningen van de dood, hier en daar zelfs testamentair van karakter. Toch hangt ook over deze hele afdeling een zweem van optimisme, als je het zo kunt noemen, gevolg van een nieuwsgierige en onbevangen dichterlijke houding. Het moment waarop iets op het punt staat te beginnen of te veranderen is het Walcott-moment bij uitstek. Het aanbreken van een nieuwe dag en het aanrollen van steeds weer nieuwe golven zijn meteen ook beelden voor wat hij als dichter in elk gedicht doet: ontwaken uit zijn sluimer en een nieuwe wereld in gang zetten, voortdurend benieuwd naar wat er achter de horizon van elke pas geschreven regel schuilgaat.

In een zesdelig in memoriam voor zijn vriend Joseph Brodsky spreekt hij veel over verbeelding, maar hij weet ook dat de verbeelding van hun levens het af moet leggen tegen die van de eeuwige zon en de zee. Dat stemt nederig, en somber wellicht, maar tegelijk is er de neiging om elke dag maar weer de schoonheid en de onaangedaanheid van die zee en die zon op te roepen. In een ander gedicht gaat het met zoveel woorden over 'the shit and the stress of what we do to each other', maar die worden toch genivelleerd door de simpele aanblik van 'these glittering simplicities', namelijk water, bladeren en lucht, gezien bij een stromend bergbeekje.

'Elation' (opgetogenheid, verrukking) is het woord dat, naast 'bounty', het meest in deze bundel voorkomt. Een van de lessen die eruit te leren valt is dan ook: wees verrukt over de rijkdom en de schoonheid van de schepping. Moeder Walcott zou met zo'n lezing wel tevreden zijn, maar ze zou het vermoedelijk niemand kwalijk nemen als de bundel daarnaast ook gelezen werd als een bewijs van dichterlijke rijkdom en overvloed. Een mooi voorbeeld daarvan is het gedicht over een man die in de tropische middaghitte somber loopt te ijsberen. Hij is, zo zegt Walcott in de tweede regel, als een luipaard op zoek naar een geschikte rustplaats, waarna hij zich volledig verliest in een mooie beschrijving van roofdieren tijdens hun middagdutje. Over de somberheid gaat het dan niet meer: die is als het ware verslagen door de beeldspraak. Zo gaat de poëzie hier soms met de dichter op de loop of, nog vaker, met de lezer. Tot de hoogtepunten van The Bounty behoren enkele gedichten waarin de absolute leegte van een bloedhete doodstille zondagmiddag op Saint Lucia wordt opgeroepen, om niet te zeggen: geëvoceerd. Prachtig, en je valt er bijna bij in slaap, wat in dit geval dus bedoeld is als een compliment: de zeldzame sensatie van poëzie te ondergaan, als een lijfelijke ervaring.