Abraham en Israel

Onder de titel Abraham? (CS 5-9) vervolgt Maarten 't Hart zijn reeks 'De Bijbel', aan welke reeks de bedoeling ten grondslag lijkt te liggen die Bijbel te ontmaskeren als een verzameling bedrieglijke verzinsels. Zo komt hij deze keer tot de conclusie: '...dat het hele verhaal over Abraham van begin tot eind compleet verzonnen is door een of meer Israelieten tijdens de Babylonische ballingschap. Abraham heeft doodgewoon nooit bestaan.'

Als deze conclusie juist zou zijn, zou daaraan een wel zeer verstrekkende consequentie moeten worden verbonden. Zo ver, dat het principiële fundament van de tegenwoordige staat Israel op losse schroeven zou komen te staan. En historisch zo ver, dat hetzelfde geldt voor alle territoriale aanspraken van Israel op het Beloofde Land sinds aartsvader Abraham. Immers beloofde God hem (toen nog Abram geheten) blijkens Gen. 12:7 dat Hij 'dit land' aan zijn nageslacht zou geven, te weten het land Kanaän, zoals het gebied destijds heette. In Gen. 17:8 wordt die toezegging herhaald, met de toevoeging 'tot een altoosdurende bezitting'.

In verband hiermee moet worden vermeld dat deze en veel ermee samenhangende beloften worden gedaan binnen de omlijsting van het Abrahamitische Verbond met hem en zijn erven. Van dit verbond werd namelijk de besnijdenis bij 'al wat mannelijk is' tot een teken: '...zo zal mijn verbond in uw vlees zijn tot een eeuwig verbond' (Gen. 17:13).

Niet alleen wordt de volkenrechtelijke zaak van het Beloofde Land door de absolute ontkenning van Abrahams bestaan van elke rechtsgrond ontbloot, tevens wordt daardoor de besnijdenis van joden gedegradeerd tot een ritueel dat berust op een eeuwen later uit de lucht gegrepen verhaal.

Men moet wel weten wat men doet wanneer men over de Bijbel - in dit geval de Thora - schrijft. Dat geldt ook voor Maarten 't Hart bij het overdenken van de consequenties.