17 jaar hetzelfde

Elk jaar opnieuw neem ik me begin september voor de laatste week van die maand maar eens wat minder vaak dan het voorgaande jaar het Nederlands Filmfestival (voorheen de Nederlandse Filmdagen) in Utrecht te bezoeken. Al zeventien jaar lang voltrekken zich daar dezelfde rituelen: je neemt je voor om twaalf uur de première van een televisiedrama te bezoeken, maar de zaal blijkt vol, voornamelijk met genodigden van de producent.

Of je bent iemand tegengekomen, die een zeker belang vertegenwoordigt in het Nederlandse filmwereldje, en die je al zo lang niet meer hebt gesproken dat je te lang koffie blijft drinken. Dan wordt het tijd voor een receptie, waar je alweer te lang praat met mensen die je het liefst zou vermijden (en zij jou), maar zo werkt het nu eenmaal niet.

Je bekijkt een net niet gelukte documentaire en een interessante, altijd tot dan toe misgelopen oude Nederlandse film in een retrospectief. Dan kom je iemand tegen die je echt aardig vindt, en besluit samen te gaan eten. Wel snel, want je hebt kaartjes voor de première van zeven uur, voor de eerste twee afleveringen van een televisieserie, die over een maand al te zien zal zijn. Het hoofd drama van de betreffende omroep staat trots bij de uitgang en pepert je in dat dit festival zonder de materiële en immateriële steun van Hilversum allang niet meer zou kunnen bestaan. In een flits zie je een uiterst boze regisseur of producent of journalist langsbanjeren, die zich zo heeft geërgerd aan een organisatorisch feilen, dat hij nooit, nee nooit meer in Utrecht verschijnen zal. Tot het volgende jaar.

Ik zal er ook weer zijn dit jaar, naar mijn agenda me vertelt, inmiddels toch weer elke dag. Er is geen bedrijfstak die zonder zo'n jaarlijkse conventie kan. Wel kun je je afvragen of de pretentie van Utrecht als publieksfestival nog gerechtvaardigd is. In tegenstelling tot de festivals in Rotterdam en Amsterdam (IDFA) komt slechts een zeer klein deel van de inkomsten in Utrecht uit verkochte kaartjes. Het moedige publiek dat zich toch waagt aan een bezoek, komt meestal voor een 'uitverkochte' zaal vol professionals. Verleden jaar was zelfs de centrale festivallocatie in de Winkel van Sinkel elke avond op 'prime time' gereserveerd voor dinergasten, omdat er telkens nieuwe prijzen uitgedeeld moesten worden. De programmering van Utrecht verraadt weinig visie of fantasie, de zich voortslepende discussies lijken meer op gekissebis dan op debatten die hout snijden. Eigenlijk wordt het tijd voor een nieuw Nederlands filmfestival, in een nieuwe, nog niet door inteelt bedorven stad. Er is lang beweerd dat een Nederlands Filmfestival niet beter kan zijn dan de kwaliteit van de jaarproductie. Langzamerhand blijkt het ook veel slechter te kunnen.