Woordblind

Ongeveer vijf tot tien procent van de kinderen die beginnen aan het basisonderwijs, is in meer of mindere mate woordblind. Dyslexie, woordblindheid, is het onvermogen een verband te leggen tussen letter en klank.

Woordblindheid kan in velerlei vormen voorkomen en is hardnekkig. Bij de kinderen gaat er iets mis in het mechanisme in de hersenen, dat klank en taalstructuur in de gaten houdt.

Dyslectici krijgen eenvoudige vaardigheden niet geautomatiseerd, ondanks een normale intelligentie. Woordblindheid vereist voortdurende oefening. De woordblinden hebben moeite variaties te maken van letters. Van 'roos' en 'boom', 'room' en 'boos' maken, is voor kinderen uit de laagste groepen al snel geen probleem. Een woordblinde ziet er echter geen logica in.

Een ander veel voorkomend probleem is het opschrijven van klanken. 'Neus' en 'muis' hebben wat een dyslectische leerling betreft dezelfde tussenklanken. 'Boom' heeft drie verschillende klanken en dus zal een woordblinde leerling geneigd zijn 'bom' op te schrijven.

De meeste dyslectische kinderen hebben al op zeer jonge leeftijd ontwikkelingsproblemen. Ze lopen en spreken later dan hun leeftijdsgenoten, kunnen geen rijmpjes maken of articuleren slecht. Wanneer de meeste kinderen op hun vijfde al heel wat namen van kleuren kunnen benoemen, verwarren dyslectici de aanduidingen. Zij het dat niet alle kinderen met dergelijke kenmerken woordblind zijn of dat dyslectici al deze kenmerken hebben.

Voortdurende, persoonlijke begeleiding door de leerkracht lijkt tot op heden de meest effectieve behandelmethode. De leerkracht laat de leerling regelmatig 'oude' stof herhalen en toetst die met telkens andere opdrachten.