SCHRIFT

Mensen hebben vele schrijfsystemen bedacht. Op vijfduizend jaar oude Soemerische kleitabletten staat de inhoud van de voorraadkamers in spijkerschrift, oud-Egyptische priesters hadden hun hiëroglyfen. Deze bewerkelijke beeldtalen werden al snel uitgebreid met simpeler, gestileerde symbolen om de klank van een lettergreep of syllabe aan te duiden.

Ook de Maja's en Azteken gebruikten vermoedelijk naast pictogrammen al syllabische tekens. Omstreeks 1300 voor Christus ontdekten de Phoeniciërs een nog veel simpeler systeem, met 25 à 30 symbolen die, net als in het oud-Hebreeuws, correspondeerden met medeklinker-klanken. Daarmee legden ze de basis voor ons Romaanse alfabet. Oost-Europeanen hanteren hun eigen alfabet, het Cyrillisch. Maar daarnaast zijn er nog allerlei oude, niet-alfabetische schrijfsystemen in zwang. Zo werken Japanners en Koreanen met een mengeling van geleende Chinese karakters en eigen syllaben-tekens. Daar waar je in het Nederlands duizenden verschillende lettergrepen kunt verzinnen, telt het Japans er hooguit honderd, vrijwel altijd bestaande uit één medeklinker en één klinker. Om toch voldoende woordenrijkdom te creëren, bestaan veel woorden uit een hele sliert lettergrepen achter elkaar (Katakana, Mitsubishu, Hiroshima). Het Chinees daarentegen is een toontaal. Dezelfde lettergreep kan, afhankelijk van de stembuiging, vele betekenissen hebben. Daarom zou een alfabetisch of syllabisch systeem het gesproken Chinees nooit adequaat kunnen weergeven. Een behoorlijk compleet Chinees woordenboek, zoals het K'angshi woordenboek uit 1716, behandelt zo'n 40.000 karakters, al kan men in het dagelijks leven meestal met een vijfde daarvan volstaan. Voordeel van de Chinese karakters is bovendien dat uiteenlopende volkeren in dit grote rijk, die elkaars dialecten absoluut niet kunnen verstaan, wèl hetzelfde geschreven 'standaard-Chinees' kunnen lezen. Je niet hoeft te weten 'hoe de karakters klinken' om ze te kunnen herkennen.

Een Chinese, Japanse of Koreaanse lezer doet niet langer of korter over zijn karakters dan een Westerling over de alfabetische versie van dezelfde tekst. Het maakt niets uit of je van links naar rechts leest, van rechts naar links, van boven naar onder of andersom.

Bron: K. Rayner & A. Pollatsek, The psychology of reading. Prentice-Hall International Editions, 1989.