Preventieplannen justitie zijn naïef

Justitie is van plan radicaal in te grijpen in gezinnen die de kans lopen een crimineel kind voort te brengen. Francis Pakes en Andrea Donker vrezen dat dit middel erger is dan de kwaal.

Op het ministerie van Justitie worden op dit moment plannen gesmeed ter voorkoming van jeugdcriminaliteit. Deze plannen zijn door professor Junger-Tas uiteengezet in twee rapporten: Preventie vanuit een justitieel perspectief (1996) en Naar een effectief preventiebeleid (1997). Hoewel ze overlopen van goede bedoelingen, schieten ze echter in hun conclusies op een aantal punten door. Wat Junger-Tas voorstelt heeft het karakter van een schot hagel. Ze wil radicaal ingrijpen in het leven van vele gezinnen waarvan een ruime meerderheid nimmer een crimineel kind zal voortbrengen. Bovendien wil ze, desnoods onder dwang, ingrijpen in het leven van problematische gezinnen.

Wie over zulke dwangmiddelen wil beschikken moet daar heel goede redenen voor hebben. Daar is hier geen sprake van. Hulp onder dwang is in dat geval ethisch onwenselijk, en praktisch weinig effectief.

Preventie is in de mode. Daar is op zich zelf niets mis mee. Maar waar men in het verleden voor preventie koos door middel van straatverlichting, alarmsystemen of dievenklauwen, wordt nu meer gedacht aan persoonsgerichte preventie. Als tijdig kan worden gesignaleerd welke kinderen later crimineel worden zo denkt men, kan op tijd ingrijpen veel ellende voorkomen.

De vraag is natuurlijk hoe de aanstaande criminelen voortijdig geïdentificeerd moeten worden. Met een dossieronderzoek naar 27 delinquente jongeren hebben Ferwerda, Jakobs en Beke vorig jaar in opdracht van Justitie al laten zien dat veel jeugdcriminelen in gebroken gezinnen zijn opgegroeid waar ze zijn mishandeld en verwaarloosd. De ouders zijn vaak laag opgeleid en verslaafd aan alcohol of drugs. De kinderen zelf hebben doorgaans een laag IQ, een geschiedenis van agressie en ze spijbelen vaak.

Maar wil dat nu ook zeggen dat alle kinderen in dergelijke omstandigheden vervallen tot een criminele levensstijl? Nee, want volgens cijfers van David Farrington van de universiteit van Cambridge zullen vier van de vijf jongeren die in dergelijke situaties zijn opgegroeid nooit een politiecel van de binnenkant zien. Farrington betoogde daarom onlangs dat preventief ingrijpen alleen mogelijk is op wijkniveau. Hij gaf daarbij het voorbeeld van het uit Amerika afkomstige Communities That Care-programma.

Dit is ook waar Junger-Tas op inhaakt in haar rapporten. Hoewel voorspellen van criminaliteit per individu riskant is, is voorspellen op groepsniveau wel mogelijk. Daarom pleit zij voor een wijkgerichte benadering. In eerste instantie zou het preventiegebied moeten worden gedefinieerd: men kiest de achterstandswijk die men te lijf wil gaan. Vervolgens moeten de plaatselijke autoriteiten worden gemobiliseerd en wordt een preventieteam samengesteld. Dit team dat een afspiegeling moet zijn van alle voorzieningen en organisties die zich met kinderen en jongeren bezighouden, verricht een probleemanalyse. Men inventariseert de 'risicofactoren' (wat is er mis in de wijk), en maakt dan een plan van aanpak onder supervisie van een stuurgroep.

Hoewel dit nogal academisch klinkt, gaat het er om dat een dergelijke aanpak leidt tot tastbare, krachtdadige hulp die aansluit bij de behoeften van het probleemgebied. Dit kan inhouden het aanbieden van cursussen, het uitvoeren van onderwijsvoorrangsbeleid, en het opzetten en steunen van projecten binnen onderwijs en welzijn.

Ook het Amerikaanse Communities That Care-programma kent deze aanpak. Dat komt er op neer dat men de handen ineenslaat en kosten noch moeite spaart om in achterstandswijken allerlei goede ontwikkelingen te bewerkstelligen. Maar Junger-Tas doet hier nog een extra schepje bovenop door oudertrainingen te introduceren, die, afhankelijk van de problematiek 'gedwongen' of via 'aanhoudende overredingskracht' moeten worden opgelegd. Bij tekenen van verwaarlozing, kindermishandeling, alcoholmisbruik, gedragsstoornissen en aanverwante ellende dient volgens haar rapport concrete hulp te worden geboden op voorwaarde dat deelgenomen wordt aan oudertrainingen en opvoedingscursussen. Indien ouders hier niet toe bereid zijn zal gedreigd worden met maatregelen als ondertoezichtstelling.

Hier loopt Junger-Tas zichzelf in haar enthousiasme voorbij. Oudertrainingen en opvoedingscursussen zijn er veel te weinig, maar onder dwang zijn ze zinloos. Dwang van de overheid wordt veelal geregeld binnen het wetboek van strafvordering waarin de nodige waarborgen voor hen die vervolgd worden zijn neergelegd.

Dwang verhoudt zich slecht tot de vrijheid van wijze van opvoeden, binnen de grenzen van het recht. Wat valt er bovendien te verwachten van een onder dwang gevolgde cursus? Als de psychologie ons toch iets geleerd heeft is het dat weinig zoveel invloed heeft op het leereffect van een cursus als de motivatie om die cursus te gaan volgen. Als de gevraagde hulp in eerste instantie wordt onthouden is het zot om vervolgens te proberen deelname aan één of andere opvoedingscursus af te dwingen.

De boodschap van Junger-Tas is blijkbaar: zelfs al gaat al het geld op aan drugs en vliegt het servies dagelijks door de ramen van de volksbuurt, een cursus ouder-kind-communicatie heeft de hoogste prioriteit.

Dit getuigt, zacht gezegd, van naïviteit. Veel meer voor de hand ligt het verbeteren van de reactie op geuite hulpvragen. Ferwerda, Jakobs en Beke concludeerden bijvoorbeeld dat vanuit veel probleemgezinnen al hulpvragen of signalen worden gegeven, waarop de hulpverlening vaak niet adequaat of helemaal niet reageert.

Vroegtijdige signalering van problemen kan grote voordelen bieden bij de bestrijding ervan. Maar hulp moet worden gereserveerd voor wie er om vragen. Hulp geef je, straf leg je op. Het lijkt ons goed als dat zo blijft.