Per tijdmachine door de Franse historie

Op 20 en 21 september zijn er Open-Monumentendagen in Frankrijk. Ruim tienduizend monumenten zijn geopend voor het publiek. Wie het er voor over heeft om drie uur in de rij te staan, kan op bezoek in het Elysée.

Het was een knisperende septembermorgen. Ik was net begonnen als correspondent in Parijs. Alle media droegen het uit: Open Monumentendagen, gaat het zien. Ook het presidentieel paleis, het Elysée zou toegankelijk zijn voor het publiek. Een persoonlijke uitnodiging was te verkiezen geweest, maar de president was oud en ziek, het was er niet van gekomen. Dan maar zo kennis maken met de omgeving waar het land bestuurd werd.

Het paleis ligt niet ideaal voor de métro. Champs Elysées-Clémenceau is het beste, al ligt de enige uitgang aan de verkeerde kant van de boulevard der boulevards. Daarna loop je langs de muur van het Elysée (aan de overkant van de straat, anders grijpen de gendarmes in) over de Avenue de Marigny en rechtsaf de Rue du Faubourg St Honoré in waar Hij op nummer 55 woont.

Honderden, duizenden mensen bleken dezelfde gedachte te hebben gehad. Een onafzienbare rij kronkelde vanaf de ingang, tot ver om de volgende hoek. De wachttijd bedroeg zeker drie uur. Dat beloofde een saaie besteding van de zaterdagmorgen. Er waren nog zoveel andere gebouwen open. Dan maar Defensie geprobeerd, volgens de beschrijvingen een luisterrijk 'hôtel particulier' aan de rue St Dominique, aan de linker oever van de Seine.

Ook daar had het Franse volk zich massaal verzameld. De machinekamers van de landsverdediging waren bijna even populair als de salons van de hoogste macht in de republiek. Bij de Raad van State in het Palais Royal (tegenover het Louvre) was het nog erger. Goede raad werd wenselijk. Waar zouden de Fransen niet met z'n allen op af komen? Het ministerie van Oud-strijders en Oorlogsslachtoffers misschien, een departement dat ook in landen die oorlogen hebben gevoerd niet vaak voorkomt. Deze keer viel de gok gunstiger uit.

Na een paar minuten stonden we op een fors bemeten dorpsplein aan de Rue de Bellechasse (niet ver van het Musée d'Orsay) ademloos te kijken naar waarschijnlijk het hoogst bejaarde koper-ensemble van het land, gestoken in uniformen van kort na Napoleon. Een veilig idee dat de eerste-hulpveteranen ook op herhaling waren. Een sfeer van welgemeende gastvrijheid en broze strijdbaarheid maakte van dit wonderbaarlijke gebouw met zijn uitgestrekte schuilkelders een belevenis. Een reis per tijdmachine naar de loopgraven van Verdun.

Aanstaande zaterdag en zondag vormen zich in heel Frankrijk weer honderden mysterieuze rijen. Daar zijn geen paus of Michael Jackson voor nodig. Geduldig wachtende burgers zijn bereid uren op straat te staan om een oud gebouw in te mogen dat anders dicht is. In toenemende mate worden ook onbekende instellingen en landschappen als 'patrimoine' opengesteld. Vorig jaar meldden zich in twee dagen acht miljoen mensen bij 11.500 plekken van historisch belang. Dat getal groeit elk jaar.

De jaarlijkse Journées du Patrimoine zijn in Frankrijk na dertien keer een traditie geworden die het wint van 14 Juillet (nationale feestdag) en kerstmis. Voor de nieuwe minister van Cultuur, Cathérine Trautmann, was dat vorige week aanleiding deze groeiende vraag naar beleving van het nationaal erfgoed te omschrijven als “met de film de belangrijkste culturele activiteit” van het Franse volk. Zij kondigde aan de directies architectuur en monumentenzorg op haar ministerie te zullen samenvoegen, opdat heden en verleden nog meer als één project worden behandeld. Met het oog op de strijd die dezer dagen binnen de regering wordt gevoerd over de begroting 1998 - de afgelopen jaren verloor het monumentenbudget tientallen procenten - wees Trautmann erop dat Frankrijk met zijn 40.000 onroerende monumenten nog een immens werk voor de boeg heeft. Maar een hoogst rendabel karwei: Frankrijk ontvangt jaarlijks 60 miljoen toeristen. Stel dat die 700 miljard francs (233 miljard gulden) genereren, zei de minister, en stel dat tien procent daarvan wordt uitgegeven aan het bezoeken van al onze kastelen, dan brengen zij dus 70 miljard francs binnen: “Dat is tien keer wat wij jaarlijks uitgeven aan monumentenzorg. Een goede investering kortom!”

Het is te hopen dat het pleidooi van de enthousiaste minister (die in haar stad Straatsburg al veel cultureel leven heeft georganiseerd) effect heeft. Los van het toerisme geeft het onderhoud en herstel van Frankrijks monumenten alleen al werk aan 34.000 vakmensen. Een bedrijfstak met een permanent aanbod aan werk. De vraag is alleen hoe groot de vuist is die deze over het land verspreide idylle kan maken. Het buitenland heeft er veel mee te maken, erkende de minister: 60 procent van het monumentenbezoek over het hele jaar gemeten bestaat uit toeristen van over de grens. Wat zij betitelde als “het teruggeven van de monumenten aan het volk” is dus in zekere zin een wereldwijd gebaar.

INFORMATIE

Wie komend weekeinde iets wil meemaken van dit Franse historiefeest kan bij wijze van spreken gewoon gaan rijden. In alle streken van het land zijn regionale lijsten met opengestelde gebouwen gemaakt. Een deel dingt mee naar de prijs voor het mooist verlichte monument. Het zijn lang niet alleen paleizen, ook volksfeesten, voorbeelden van eetcultuur, industrieel erfgoed en schrijvershuizen, zoals het Musée Tourgenjev in Bougival (Yvelines). In Parijs gaan zaterdag de deuren open van Hôtel d'Avaray, de net gerestaureerde ambtswoning van de Nederlandse ambassadeur: 85 Rue de Grenelle.

Een keuze uit de opengestelde gebouwen en plaatsen is te vinden op de Internet-site van het Franse ministerie van Cultuur: http://www.culture.fr (direct: http://www.culture.fr/culture/patrimoine/ journees.htm). Verder hebben alle regio's hun eigen programma's uitgegeven, herdrukt door regionale kranten. In veel steden en dorpen hebben ook particulieren hun historische huizen en kelders opengesteld. Let op: openingstijden variëren per object.