Oogbewegingen; Bewegingen in milliseconden

Hoe lezen ogen? Die vraag houdt vele onderzoekers bezig. Een onderzoek in Nijmegen nader bekeken.

EEIGENLIJK IS HET een mirakel dat u dit kunt lezen. Lezen is, hoe vanzelfsprekend ook, een uiterst complexe vaardigheid. De modernste computer doet het de mens niet zomaar na. De vraag hoe een lezer de informatie uit een pagina haalt en die vervolgens in zijn brein verwerkt, houdt hele legers psychologen van de straat. Wie die kale zwarte letters op een bladzij consumeert (gemiddeld vier woorden per seconde), doet niet alleen informatie op. Er komen ook beelden naar boven, er komen emoties los. Een tekst roept herinneringen op, je kunt erom lachen of huilen.

“Probeer maar eens vier woorden per seconde op te zoeken in een woordenboek! Dat lukt je nooit”, zegt onderzoekster dr. Wietske Vonk van het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek in Nijmegen. “In het hoofd van een ontwikkeld mens zitten alleen al van de moedertaal zo'n 40.000 woorden opgeslagen. Al lezende haal je niet alleen de betekenis van al die woorden naar boven, maar je integreert ze meteen in het betoog. Je raadt de betekenis van een woord ook uit de context. Je snapt wie er met 'hij' of 'zij' wordt bedoeld en je herkent beeldspraak of ironie.”

Vonk is naast Max Planck-onderzoekster ook universitair hoofddocent psycholinguïstiek aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Tot haar studenten behoren zowel cognitief psychologen als neerlandici. Ze onderzoekt het complexe proces van lees- en informatieverwerking door het registreren van snelle, subtiele oogbewegingen in de orde van milliseconden. “Zo kijk je als het ware in ons brein en kun je nagaan wat zich daar zoal aan cognitieve processen afspeelt als je leest”, legt ze uit.

De proefpersoon zit voor een beeldscherm waarop de leestekst staat. Een onzichtbare infrarode straal schijnt in zijn rechteroog. Deze straal wordt in het vlak van de iris via een half-doorlatende spiegel weerkaatst naar een zeer gevoelige lichtdetector. Als het oog in de oogkas iets beweegt, verandert ook de hoek van terugkaatsing van de infraroodstraal een heel klein beetje en dat valt te meten. De proefpersoon dient dan wel muisstil te zitten, met het hoofd tussen steunen en zijn mond in een soort 'bit' van snel-hardende tandartswas. Al lezende kan hij niet praten, maar wel vragen beantwoorden door op knopjes te drukken. (Overigens werken ze in Nijmegen nu ook met een modernere proefopstelling, met een hoofdband met cameraatje.)

Zo kun je de lezer aan het werk zien. Het signaal dat de detector opvangt, wordt meteen automatisch geanalyseerd en het resultaat is in grafiekvorm te zien op een beeldscherm. De ogen rollen niet gelijkmatig langs de regels, zoals men misschien zou denken. Want anders zou het beeld geen moment stilstaan en nooit echt scherp zijn. Al omstreeks de eeuwwisseling ontdekte de Franse oogarts Emile Javal dat de ogen telkens een klein sprongetje maken, waarna ze ongeveer een kwart seconde bijna helemaal stil staan en scherp stellen op het volgende stukje tekst. Zo'n sprongetje wordt een saccade (Fr.: schok) genoemd. Tijdens de saccade zie je eventjes helemaal niets. Het stilstaan heet een fixatie.

Onder een gezichtshoek van ongeveer twee graden zie je de letters op papier echt scherp. Je kunt gemiddeld veertien of vijftien karakters tegelijk scherp zien, onafhankelijk van de grootte van de letters, behalve als ze extreem groot worden. Maar bij het begrijpen van woorden kun je, mede afhankelijk van de woordlengte, hooguit zeven of acht letters tegelijk aan. Je verwerkt ze niet een voor een, maar allemaal tegelijk. Daarna springen je ogen een stukje naar rechts.

Er zijn proefjes gedaan waarbij de onderzoeker, terwijl iemand een woord las, razendsnel een letter in het volgende woord veranderde en daarna weer terugveranderde, bijvoorbeeld stelen in steken. Als die verandering exact tijdens de saccaden plaatsvindt, valt die niet op. De lezer heeft niet in de gaten dat er eerst iets anders stond, hij heeft maar één betekenis verwerkt. Vonk: “Uit dergelijke proefjes blijkt dat de informatie bij het scherpstellen op het woord zèlf wordt waargenomen, en niet tijdens de fixatie op het vorige woord.”

Om de letters op papier te herkennen, hebben de ogen aan een twintigste seconde genoeg, zo blijkt uit proeven. Dat ze toch langer op de tekst blijven rusten, komt doordat de hersenen meer tijd nodig hebben om de informatie te verwerken en op te slaan. Je moet kennelijk eerst de nodige lexicale, syntactische en semantische informatie over elk woord verwerken voordat je verder kunt.''

Veel onderzoek richt zich op de vraag hoe het proces van woordherkenning en de daarop volgende stadia van tekstbegrip verlopen. Door uit te zoeken waarop diverse proefpersonen hun ogen fixeren en vooral ook hoe lang ze dat doen, hoopt men daarin meer inzicht te krijgen.

Hoewel je van links naar rechts leest, blijken de ogen ook regelmatig even één positie terug te springen om te checken wat daar stond. Vonk: “Dit terugspringen hoort bij normaal, zorgvuldig lezen. Maar als iemand heel vaak hapert en bijvoorbeeld na elke twee stappen vooruit een stap terug doet, is er sprake van een stoornis.” Proefpersonen haperen vaker naarmate de onderzoekers de tekst moeilijker maken. Men vergelijkt bijvoorbeeld tekstvarianten met en zonder het woordje 'omdat'. Vonk: “Het liefst leggen we mensen teksten voor met maar één variatie erin, om precies te kunnen zien welk effect die ene variatie heeft op het lezen en verwerken van de informatie.”

Niet alleen verbeterde technieken voor het vastleggen van oogbewegingen en spraaksignalen brengen vooruitgang in de psycholinguïstiek, het vakgebied van lezen, luisteren, spreken en schrijven. Daarnaast wordt in plaats van het gewone 'kijken hoe het werkt' steeds meer gebruik gemaakt van hypothetische modellen, die men kan toetsen en vervolgens al dan niet kan verwerpen. Vonk: “Hoe meer je de computer inschakelt om je theorie te modelleren, hoe meer je zo'n model moet specificeren. Dat is de echte winst van het computergebruik.”

Computers helpen de onderzoeker, maar helpt het onderzoek op den duur ook computers beter te leren lezen? Vonk: “Ons oog is zeer hoogontwikkeld en ons visuele systeem buitengewoon efficiënt, nog veel ouder dan de taal. Ik wil niet zeggen dat je zo'n ingewikkeld systeem nooit in de computer zult kunnen nabootsen, maar dan zul je slimmer moeten nagaan welke onderdelen het meest essentieel zijn.” Bij de computergestuurde spraakherkenning worden overigens al behoorlijke vorderingen geboekt. Voorwaarde is dat men de stimulus flink inperkt door bijvoorbeeld maar één spreker in te schakelen en de gespreksonderwerpen erg beperkt te houden.

Het meeste psycholinguïstische leesonderzoek richt zich op de ervaren, gemotiveerde lezer die een kaal stuk tekst krijgt voorgeschoteld. Maar zegt dat nu ook iets over de vraag hoe je de lezers aan het lezen krijgt: hoe vang je ze en hoe hou je ze vast? Vonk: “Ik denk niet dat die voortdurende vernieuwingsdrang van kranten en tijdschriften is gebaseerd op inzicht in het leesgedrag. Het gaat meer om vernieuwen en veranderen als prikkel voor de lezer om te blijven 'shoppen' in zo'n krant of tijdschrift. Ook voor gebruik van kleur geldt: wat afwijkt, wordt nu eenmaal gezien. Kleine blokjes en kadertjes zijn natuurlijk elementen die makkelijk verkopen, die de lezer even meepakt als hij zich verveelt. Maar als je de instelling hebt dat je ècht iets wilt weten en de redenering serieus wilt volgen, dan zijn al die hapklare brokjes heel storend. Persoonlijk vind ik al die losse kadertjes iets verschrikkelijks - gèk word je ervan.”