Kurtág als parelmoer onder herfstbladeren

Concert: Schönberg Ensemble o.l.v. Reinbert de Leeuw. Werken van Webern, Kurtág en Bartók. Gehoord: 17/9 Concertgebouw Amsterdam. Opname VPRO voor latere uitzending op Radio 4.

Breekbaar, broos en bros, zo klonk het eerste concert in de Serie Tijdgenoten van het Concertgebouw, die terugblikt op de twintigste eeuw. Anton Webern is de meester van het drievoudig pianissimo, als zodanig nog overtroffen door de 71-jarige in Nederland woonachtige Hongaar György Kurtág, die Webern en Bartók had gekozen ter omlijsting van zijn concert.

Grabstein für Stephan opent in een viervoudig pianissimo. In het vierde deel van Weberns Sechs Stücke für Orchester op. 6, verloor het begin van de geheimzinnige dodenmars zijn magie door het fortissimo van het gehoest uit de zaal. Concentratie was er gelukkig veel meer na de pauze in de Fünf Stücke für Orchester op. 10, het uiterst tedere vierde deel van slechts zes maten klonk schitterend dolcissimo, de instrumenten waren prachtig in balans. Kurtág wordt de Hongaarse Webern genoemd, maar er zijn wel degelijk verschillen. Webern is veel chromatischer en scherper. Bij Kurtág is het vooral een kunst van uitsparen en schrappen, bij Webern ontstaat de miniatuurvorm door verdichting. En eigenlijk is Webern niet zo breekbaar. Hij zou nooit op het idee zijn gekomen, zoals Kurtág aan het slot van quasi una fantasia... op. 27 nr. 1 voor klavier en instrumentgroepen, om een blokfluit in te zetten, want dát is pas broos en bros! Kurtág verpulvert elke pralende esthetiek in een klank die heiig is, dampig in een grijs-roze gloed, parelmoer overdekt door herfstbladeren. Dat lijkt mij nog de beste typering voor Kurtágs droomwereld.

Aan gevoel voor kleur kwamen wij niets te kort. Zeker niet bij de solisten: Harry van der Kamp gaf elk van Kurtágs Vier liederen naar János Pilinszki een eigen sfeer mee en ook aan Marja Bon was de pianosolopartij in quasi una fantasia zeer besteed. Het programma vermeldde merkwaardigerwijs niet de derde solist, gitarist Helenus de Rijke, excellerend in Grabstein für Stephan, ongetwijfeld het meest spectaculaire werk op dit programma. Schitterend hoe Kurtág hier woekert met vindingrijke kleuren, zoals pauken in een combinatie met klavecimbel en harp.

Een duidelijk aanwijsbare reden waarom Kurtág veel molliger en sprookjesachtiger klinkt dan Webern is Bela Bartók, de componist die putte uit de rijke folklore op de Balkan en een nog grotere invloed op welke Hongaarse componist dan ook uitoefende. Diens Dorfszenen, uitgevoerd in de versie voor vier vrouwenstemmen en kamerorkest, herinnert in het eerste deel aan Strawinsky's Pribaoutki, het tweede deel loopt vooruit op Bartóks eigen mystieke Cantata profana en het derde geeft een echo van zijn ballet De wonderbaarlijke mandarijn in een melodie geboren uit het stampen van mannenlaarzen. Dat stampen houdt Kurtág minder bezig dan de intimiteit en mystiek van Bartóks folkloristische wiegeliederen.