Ik telefoneer, dus ik besta

AMSTERDAM. Aan het Rokin, een fatsoenlijke winkelstraat in Amsterdam, zijn, nagenoeg naast elkaar, drie middenstanders gevestigd die dezelfde spullen verkopen. In het ene pand zit de Primafoon van KPN. De medewerkers zijn door hun baas ir. Wim Dik in biljart-pakjes gestoken, type ankerkader 47/2.

Pal daarnaast heeft de Belcompagny zijn nering uitgestald. En een paar deuren verderop is de winkel 4u (spreek uit 'for you') gevestigd. De bedienden daar zijn gekleed in zwart pak, maar dat weerhoudt hen er niet van op de drukke dagen draaiend in de deuropening te gaan staan alsof ze, gelijk prostitueEÉs, passanten willen verleiden tot een uitgave die thuis niet door de beugel kan.

En gelijk hebben ze. De concurrentie is immers 'moordend'. In alle winkels worden min of meer dezelfde draadloze telefoons verkocht en de daarbij behorende abonnementen. Op deze opgewonden zaterdag vol funshopping verzamelt het publiek - merendeels jongeren - zich eerst en vooral rond de satelliet-telefoons. De vitrines, waarin die dingetjes liggen, hebben een museale functie. Met dat verschil dat je de geëxposeerde waar, anders dan in het Rijksmuseum, hier wel kunt kopen. Een gewoon toestelletje kan de consument dan ook niet meer bekoren. Dat er meer functionerende cellen op straat staan dan ooit, dat doet er evenmin toe. De tijd dat telefoonkaarten nog verzamelaarswaarde hadden, ligt alweer ver achter ons. Wie bij een telefoonwinkel van KPN binnenloopt en niet naar een GSM'tje vraagt, wordt zelfs anders behandeld. Als je om een draadloze telefoon komt, krijg je een stoel aangeboden. Wil je een simpele vaste aansluiting verhuizen, dan moet je blijven staan.

Het dingetje zelf is soms heel duur: voor de jeugd die denkt dat de verhouding tussen prijs en kwaliteit zich altijd uitdrukt in het eerste. Maar vaker kost het spul amper iets: bij 4u nul gulden en bij Dixons, iets verderop, in de Kalverstraat, zegge en schrijve één gulden. Mits je eerst maar even je handtekening hebt gezet onder een éénjarige contract dat luistert naar antropologische namen als Callsaver (Hollandse zuinigheid), Playtime (homo ludens), Personal (individualisering) en Professional (voorwaarts). De Primafoon is niet achtergebleven en biedt driejarige contracten aan met eveneens allegorische titels: Free Space, Prime Space, Euro Space en Super Space.

De Consumentenbond sloeg hierover vorige maand alarm. Volgens deze organisatie, inmiddels onze collectieve vakbond à la de Sovjet-Unie, is met name de jeugd zó gretig, dat ze de contracten eerst tekent en er dan pas achterkomt dat een draadloze date veel duurder is dan afspraakje via de klassieke kabel. De bond vind dat de jeugd beschermd moet worden tegen de telefoon, zoals scholieren op het plein tegen drugspushers. De vraagt rijst nu of dat wel nodig is. Want is de betekenis van de draadloze telefoon niet veel fundamenteler dan een zomaar een nieuw productje op de markt?

Het begin van een antwoord dient zich twee dagen later aan. Kennis Siegfried fietst over de Leidsegracht naar huis. Hij zit in de WAO en is voor veertig procent afgeschat. Maar dat is op zich geen argument om te fietsen en al helemaal niet om met je arm de elektronische buitenspiegel van een tegemoetkomende BMW-cabrio te schampen. De inzittenden van de BMW weten dat ook. Terwijl Siegfried omkijkt of er echte schade is en vervolgens doorfietst - in Amsterdam woedt de oorlog der weggebruikers nog altijd in volle hevigheid - zet de chauffeur van de BWM zijn auto in de achteruit. Een passagier, die Robbie blijkt te heten, pakt Siegfried bij zijn afgeschatte arm en roept tegen een jonge vrouw in de cabrio: “Shirley, de telefoon!” Terwijl Siegfried conform het wetboek van strafrecht staande wordt gehouden, bellen de BMW'ers de politie. Draadloos uiteraard. Is hier sprake van een serieus ongeval? Nee, het blijkt te gaan om de no claim van de verzekering.

Ik heb het verhaal van horen zeggen. Maar desondanks is de eerste conclusie duidelijk: zonder telefoon ben je nergens. De tweede conclusie is eveneens helder: wie niet mobiel communiceert, is reddeloos verloren. De slotconclusie laat zich dus raden: alle WAO'ers moeten ook een zaktelefoon aanschaffen.

De zaktelefoon is namelijk allang niet meer een technologische nieuwigheid voor zakenlieden die 24 uur per dag moeten managen, omdat ze anders hun optierecht verkwanselen. Het apparaat is inmiddels gedemocratiseerd. Anders dan bij eerdere technologische vondsten, zoals bijvoorbeeld het boek en de postzegel, is de telefoon zijn opmars zelfs niet van bovenaf begonnen, maar direct doorgestoten op het niveau der middenklasse. Ik moet me hier dan ook excuseren voor een gebrekkige analyse enkele jaren geleden. Toen bekend werd dat Winston Bogarde vanuit de kleedkamer met God en iedereen belde, dachten velen - samen met Louis van Gaal en, naar verluidt, Danny Blind - dat er nog een dam kon worden opgeworpen tegen de permanente bereikbaarheid. Dat blijkt nu een achterhaald, want elitair, standpunt te zijn geweest. Ook de kwetsbare burger wil altijd en overal kunnen bellen. Het nerveuze gepiep van een telefoon is voor hem geen inbreuk op zijn privacy, maar een bewijs dat hij leeft. Op middelbare scholen is een zaktelefoon al normaal, zoals tot voor kort een walkman en in vroeger tijden de legerpukkel. Zelfs onder basisscholieren in Amsterdam zijn al pockettelefoons gesignaleerd.

Wie unplugged is, mist de slag. Elke manager die er op een onbewaakt moment achterkomt dat zijn baas achter zijn rug met de collega's in de directie overlegt, weet dat dan zijn dagen zijn geteld. De draadloze voorbijgangers draaien nu dit axioma om. Zij denken dat als je anderen maar permanent kunt inpluggen, je zelf ook in verbinding staat met de hele wereld. Terwijl zij op hun werk, universiteit of school gemanaged worden, kunnen zij zo hun eigen leven managen. Want gebeld worden is goed, zelf bellen is beter.

Telefono, ergo sum. Het wordt tijd dat er eens een ouderwetse existentialist opstaat, die de draadloze telefoon als expressie van het bestaan definieert.