'Het antisemitisme drong niet tot mij door'; Historicus Peter Gay over zijn jeugd in Berlijn

De Amerikaanse cultuurhistoricus Peter Gay (74) heeft furore gemaakt met werken over de Verlichting, de 19de eeuwse burgerij en een biografie over Freud. Hij schrijft nu zijn eigen memoires. Een gesprek over een jeugd in nazi-Duitsland en een vlucht naar Amerika.

ROTTERDAM, 18 SEPT. “Veel mensen dachten dat het me goed zou doen om over mijn jeugd te schrijven, dat het een catharsis zou zijn. Maar dat is nonsens. Ik voel me niet beter, integendeel. Ik ben kwaad op de wereld. Door erover na te denken, zijn me zoveel dingen duidelijk geworden”, zegt Peter Gay, emeritus hoogleraar geschiedenis in Yale, winnaar van de prestigieuze Gouden Medaille van de American Academy of Arts and Letters, in Nederland bekroond met de Heineken Prijs voor uitblinkers in wetenschap en kunst.

Hij groeide als Peter Fröhlig op in het Berlijn van de jaren twintig en dertig, een wereldstad met een ongekende politieke en geestelijke vrijheid. Pas jaren later zou hij in Amerika de psychoanalyse ontdekken. Hij is vooral bekend om zijn pleidooi voor een psychoanalytische beschouwing van de geschiedenis. Hij verwacht veel van geschiedschrijving waarin ook andere wetenschappen (lees: de psychoanalyse) aan bod komen. Als mensen worden geleid door hun seksuele en agressieve drijfveren, zoals de psychoanalyse beweert, dan moet de invloed daarvan ook merkbaar zijn in de geschiedenis, aldus Gay.

Dit idee is lang niet altijd in goede aarde gevallen bij collega-historici. De psychoanalyse baseert zich op moeilijk te bewijzen argumenten en is in hun ogen daarom niet bruikbaar. Daar heeft Gay zich echter nooit aan gestoord. “Geschiedkundigen lenen altijd van andere disciplines” als filologie, antropologie, astronomie, letteren, econometrie, is zijn uitgangspunt. “Er is niets nieuws in wat ik doe.”

Dat geschiedenis en psychoanalyse volgens Gay brothers under the skin zijn, blijkt uit vrijwel al zijn boeken. Ook in zijn memoires moet dat tot uiting komen: “Een van de redenen om mijn memoires te schrijven, is mijn interesse voor de psychoanalyse. Ik wilde weten wat er met mij gebeurd is toen ik jong was. Eén vraag die ik mezelf nooit eerder had gesteld, hield me bezig: hoe kan het zijn dat ik in die vooroorlogse periode niet gek geworden ben?”

Gay werd geboren in 1923, de tijd van de verloren oorlog, de herstelbetalingen, de hyperinflatie. Zijn eerste levensjaren verliepen vrijwel rimpelloos. Zijn vader was vertegenwoordiger in kristal en porselein en verdiende genoeg om het gezin te onderhouden. Overleven was geen probleem. De problemen kwamen later: de Fröhligs waren joden.

“Het was een jodendom zonder godsdienst”, schrijft u in 'Sigmund Freud, zijn leven en werk' over Freuds religieuze opvattingen. Ziet u daarin parallellen met uw eigen godsdienstige beleving?

“Zeker. Het is één van de redenen waarom ik me met Freud verbonden voel. Mijn ouders waren wat men in het Duits konfessionslos noemt. Als je het echter over een raciaal onderscheid hebt - dan waren we wel joods. Dat joods-zijn was trouwens een ontdekking voor mij in de jaren dertig, ik had absoluut geen interesse in godsdienst. De antisemitische evolutie drong niet tot mij door. Misschien was dat naïef. Ik wist wel van de jodenvervolgingen, maar dat stond ver van mijn bed. Op school bleef men onverschillig tegenover mijn joodse achtergrond. Mijn vader was een oorlogsveteraan van de Eerste Wereldoorlog en dat heeft ons jarenlang een vorm van bescherming geboden.”

Ik kan me niet voorstellen dat de hele nazi-periode volledig aan u is voorbij gegaan.

“Toch wel. Ik probeerde de radio en kranten te vermijden. Dat was mijn manier om niet gek te worden. Mijn aandacht ging uit naar mijn postzegels en naar sport. In 1936 waren er Olympische Spelen in Berlijn. Mijn vader had kaartjes gekocht in Boedapest, waardoor we tussen tweehonderd Hongaren zaten. Toen Hitler arriveerde hoefden we niet op te staan. Onze 'Hongaarse' zitplaatsen bespaarden ons dat.”

Uit uw boeken spreekt een hoge mate van belezenheid. Biografieën, historische werken, dagbladen, bellettrie en egodocumenten werden aan diepgravende analyses onderworpen. Beschikt u voor uw memoires over evenveel materiaal?

“We hebben slechts enkele foto's en brieven overgehouden aan de tijd die vooraf ging aan onze vlucht uit Duitsland in '38. Ik hield geen dagboek bij. Ik moet mijn biografie dus louter op mijn herinneringen baseren. Die zijn soms onnauwkeurig en onvolledig. Daarom ben ik in kranten en archieven op zoek gegaan naar artikelen en documenten die bepaalde herinneringen konden bevestigen. Ik wil geen feitelijk nieuwsdocument maken van mijn memoires, vol historische data. Het moet een persoonlijk verslag worden.”

U vindt dat bepaalde literatuur over de jodenvervolging in Duitsland suggereert dat de joden in de jaren dertig gelaten hun lot afwachtten.

“Dat wekt tegenstrijdige gevoelens op. Ik worstel tussen het gewicht van de historische gebeurtenissen en mijn individuele belevenis. Maar ik wil dat de jongeren uit mijn ervaringen leren dat het allemaal niet zo zwart-wit was.”

Bent u geschiedenis gaan studeren met uw eigen verleden in het achterhoofd?

“Nee, zeker niet. Ik ben mijn studies begonnen met politieke wetenschappen, de geschiedenis van ideeën. Later ben ik naar 'echte' geschiedenis overgestapt. In essentie heb ik altijd gedaan wat ik wilde. Meestal kwam dat neer op dingen die nog niet eerder door een ander onderzocht waren. Daar vloeide onder andere ook mijn interesse in Eduard Bernstein uit voort, de Duitse marxist. Ik kon nergens werken over hem vinden. Mijn professor, Franz Neumann - een politicoloog van de Frankfurter Schule die ik erg bewonderde - zei dat het heel saai zou worden. Maar dat werd het niet.”

Na de Kristallnacht van november 1938, toen overal in Duitsland joodse synagogen en winkels verwoest en joden mishandeld werden, besloten de Fröhligs te vertrekken. De 15-jarige Peter vluchtte met zijn ouders naar Cuba. Daar moesten ze twee jaar wachten tot het hun beurt was om naar de VS te gaan. Ze mochten niet werken. De familie leefde van liefdadigheid en van het geld van familieleden. “Op school in Havana heb ik Engels geleerd. Ik verslond Amerikaanse tijdschriften en romans. Op een nacht werd ik wakker en realiseerde me dat ik in het Engels gedroomd had. Dat was een prachtig moment.” Gay lacht weemoedig. “De vluchtelingengemeenschap in Havana bestond uit vier- à vijfduizend mensen. Er waren maar twee gespreksonderwerpen: de mensen die we hadden achtergelaten in Europa en de lijst met namen in het Amerikaans consulaat. Wie op die lijst stond, was veilig. Die mocht naar de VS.”

Hoe werd u als Duits-joodse familie in 1941 in Amerika ontvangen?

“Wij heetten in Amerika 'vijand-bondgenoten'. Maar ik ondervond daar weinig gevolgen van. Ik denk dat ik me één keer per jaar bij de politie moest melden. We hebben wel onze naam veranderd, van Fröhlig naar Gay - enerzijds vanwege de haat tegen Duitsers in Amerika en anderzijds omdat niemand daar de naam Fröhlig kon uitspreken. Ik ben in 1943 gaan studeren. In 1946 ben ik genaturaliseerd.”

U ziet Duitsland niet meer als uw vaderland, hebt u ooit gezegd. Toch schreef u een boek over de cultuur van de Weimarrepubliek. Bewijst dat niet toch nog een zekere band?

“Het is niet moeilijk om te bedenken hoe ik in 1939 over Duitsland dacht. Ik had er een hekel aan. Pas vanaf de jaren zestig is die houding veranderd. In 1961 ben ik naar Berlijn teruggegaan. Maar het was geen aangename ervaring. Ik voelde me er niet thuis. Een week nadat ik vertrok, werd de Muur gebouwd. Sindsdien ben ik wel vaker geweest, en zijn mijn gevoelens ten opzichte van Duitsland complexer geworden. Maar ik voel me er nog steeds een bezoeker.”

Berlijn was in uw jeugd een wereldstad. Hoe ziet u als historicus de huidige pogingen om de stad dezelfde uitstraling te geven?

“Ik wil me niet aan voorspellingen wagen. In 1989 zei ik dat de Muur nooit zou vallen en het bleek uiteindelijk ontzettend gemakkelijk te gaan. Sindsdien heb ik me voorgenomen nooit meer iets te voorspellen. Als historicus is het mijn taak om terug te kijken.”