Chinezen worden in Indonesië als zondebok gebruikt

In Indonesië neemt het geweld tegen de Chinese minderheid toe. Ze is door haar economische positie zichtbaar en door haar politieke positie kwetsbaar. Als gevolg daarvan komt ze steeds vaker in de rol van zondebok terecht.

JAKARTA, 18 SEPT. Bij anti-Chinese rellen deze week in Ujungpandang, de hoofdstad van Zuid-Sulawesi, zijn ten minste vier doden gevallen. Zeker acht mensen raakten gewond toen ordetroepen dinsdag het vuur openden op een groep studenten. Dat heeft de commandant van de provinciale politie in Zuid-Sulawesi, brigade-generaal Ali Hanafiah, bekendgemaakt.

Onder de doden zijn twee vrouwen, die werden aangetroffen in de resten van een platgebrande drankgelegenheid en een Chinese man van zeventig die een hartaanval kreeg toen een menigte zijn huis belaagde.

De ongeregeldheden braken uit in de nacht van maandag op dinsdag nadat een 23-jarige man van Chinese afkomst met een groot mes inhakte op een negenjarig islamitisch meisje en haar 19-jarige tante. Het meisje overleed ter plekke, haar tante stierf later in het ziekenhuis.

Een woedende menigte sloeg vervolgens de dader dood. Daarna reageerde in de loop van dinsdagochtend een massa van duizenden merendeels islamitische jongeren hun woede af op het Chinese zakencentrum van de stad. Daarbij werden een boeddhistische tempel, een protestantse kerk, 25 winkels en tien auto's platgebrand. Aan vijftienhonderd winkels werd schade toegebracht. Zeker driehonderd Chinezen zochten hun heil in het hoofdbureau van politie. Ordetroepen maakten in de loop van dinsdag een einde aan de ongeregeldheden, maar ook woensdag was er nog sprake van kleine groepjes jongeren die stenen gooiden naar Chinese winkels.

De anti-Chinese rellen in Ujungpandang zijn de laatste in een reeks het afgelopen jaar. Eerder kwam het tot grootschalige ongeregeldheden in Javaanse steden als Rengasdenklok, Tasikmalaya en Situbondo.

Volgens de sociologe dr. Mély Tan, hoofd van het Onderzoeksinstituut van de katholieke Atma Jaya universiteit in Jakarta, specialiste op het gebied van de etnische Chinezen in Indonesië, zijn er in het algemeen drie redenen aan te wijzen voor het steeds terugkerende geweld tegen Chinezen: “Deze mensen zijn zichtbaar omdat zij meestal winkels hebben in het zakencentrum van de steden. Bovendien zijn ze kwetsbaar, omdat zij vaak in een economische positie zitten die veel afgunst oproept. Tot slot zijn ze weerloos omdat zij geen enkele politieke bescherming genieten. Op bestuurlijk niveau wil niemand voor hen in de bres springen.”

Volgens Tan is de situatie in de meeste Indonesische steden “explosief” door de grote sociale kloof tussen mensen met macht en geld en degenen die dat niet hebben. “Er is een grote onderstroom van ontevredenheid met de heersende situatie. President Soeharto heeft daar zelf opgewezen en gewaarschuwd voor deze sociale kloof.”

De sociologe wijst erop dat de spectaculaire economische groei die Indonesië de afgelopen dertig jaar heeft doorgemaakt die kloof eigenlijk alleen maar dieper gemaakt heeft. “We hebben een fantastische ontwikkeling gezien als het bijvoorbeeld gaat om scholing en volksgezondheid. De gemiddelde levensverwachting ligt nu op 68 jaar. Er is makkelijk toegang tot informatie. Mensen die tien jaar geleden nog op blote voeten rondliepen hebben nu in ieder geval slippers. De absolute armoede is erg afgenomen: volgens de officiële statistieken tot elf procent van de bevolking. Maar het is veel interessanter te kijken naar relatieve armoede: mensen die nu een motorfiets bezitten, kijken niet terug naar de tijd dat ze er nog geen hadden. Nee, ze vergelijken zich met de buurman, die in een auto rondrijdt.”

De relatieve armoede genereert volgens Tan een algemeen gevoel van teleurstelling en onvrede met de heersende situatie waarin men zich onrechtvaardig behandeld voelt. Van belang is ook dat er van Chinezen een vrij stereotiep beeld bestaat. “Over het algemeen wordt gedacht dat alle Chinezen in Indonesië, slechts drie procent van een bevolking van tweehonder miljoen, erg rijk zijn. Men spreekt over hen in de trant van: ze kwamen hier met niet meer dan een onderbroek en wonen nu in de mooiste huizen op onze kosten. Vervolgens worden de Chinezen tot zondebok gemaakt voor alles wat niet deugt en zijn zij doelwit van afgeleide agressie. De woede van de mensen is eigenlijk gericht tegen de regering of tegen de militairen, maar die zijn zo machtig dat men uitwijkt naar een ongevaarlijk slachtoffer.”

Hoewel het geweld tegen Chinese winkeliers in het verleden reeds vaker is voorgekomen, is het volgens Tan van karakter veranderd. “Het geweld is harder geworden. Vroeger werden er voornamelijk vernielingen aangericht. In het afgelopen jaar en ook deze week weer zijn er doden gevallen. Bovendien heeft de anti-Chinese agressie een religieus karakter gekregen. Behalve winkels worden in toenemende mate ook tempels en kerken aangevallen en vaak in brand gestoken. Dat is nieuw en verontrustend. Want rellen zoals deze week kunnen op elk moment waar dan ook uitbreken in Indonesië.”