Blairs Waterloo ligt om de hoek

Wanneer na de Schotten vandaag ook de bevolking van Wales zich uitspreekt voor meer autonomie, staat het Britse koninkrijk voor een staatkundige revolutie. Maar of de aanstichter, premier Blair, alleen maar zoete vruchten zal plukken, is volgens Jonathan Eyal hoogst twijfelachtig.

Hoewel de opiniepeilingen voorspellen dat het erom zal spannen, hoopt de Britse premier Tony Blair onverminderd dat de bevolking van Wales tijdens het referendum van vandaag zijn voorstel voor meer autonomie zal aanvaarden. Het staat wel vast dat een positieve uitslag in Wales, een week na het klinkende “ja” van de Schotten, de ingrijpendste hervorming van het Britse koninkrijk in deze eeuw teweeg zal brengen. Maar daarmee beginnen de problemen voor Blair pas. Op typisch Britse wijze probeert de premier een revolutie te laten plaatsvinden zonder een revolutionaire indruk te maken, en hij zou daarbij wel eens aan het kortste eind kunnen trekken.

Generaties jonge Britten zijn opgegroeid in het geloof dat alleen 'buitenlanders' geschreven grondwetten nodig hebben en telkens wanneer een kolonie in het afbrokkelende Britse wereldrijk onafhankelijk werd, schreven diplomaten er weer zo'n constitutie voor. Maar de Britten zelf waren zo instinctief democratisch en traditioneel soepel dat ze voor de welvaart en stabiliteit in eigen land zo'n document niet nodig hadden.

Dergelijke argumenten worden door een meerderheid van de bevolking echter niet langer geloofd: de monarchie, die altijd fungeerde als bindmiddel voor de Britse natie, maakt thans een diepgaande geloofwaardigheidscrisis door. En de Britten, die hun land altijd zagen als een voorbeeld voor de rest van de wereld, beschouwen hun staat nu als over-gecentraliseerd, ongevoelig voor hun behoeften en lichtelijk belachelijk met al zijn plechtstatige maar irrelevante ceremonieën. Toen Labour in de oppositie zat, wist het op slimme wijze van dit sentiment te profiteren. Nu Labour regeert, is het doordrukken van de nodige veranderingen met de instelling van aparte parlementen in Schotland en Wales evident de juiste tactiek.

Het is duidelijk dat de unie van Schotland en Engeland die twee eeuwen geleden is gesmeed, niet langer voldoet. Hoewel de Schotten in meerderheid deel willen blijven uitmaken van het Verenigd Koninkrijk, streven ze wel degelijk naar meer zeggenschap over hun eigen bestuur. De Labour-regering heeft dan ook gelijk wanneer ze stelt dat ze, door de Schotten hun eigen regionale parlement te gunnen, de eenheid van het land redt en voorkomt dat Groot-Brittannië uiteenvalt.

Maar de zaak ligt gecompliceerder. Op dit ogenblik bezet Schotland meer zetels in het Londense parlement dan waarop het naar evenredigheid van zijn bevolking recht zou hebben. Wanneer de Schotten straks hun eigen parlement hebben, is er geen reden meer voor overrepresentatie in het Britse parlement. Maar Labour is sterk in Schotland, en de partij beseft dat ze, als straks de Schotse vertegenwoordiging in het Britse parlement wordt beperkt, misschien nooit meer een nationale verkiezing zal winnen.

Bovendien krijgen de Schotten beslissingsrecht over het grootste deel van de publieke bestedingen en mogen ze zelfs nieuwe belastingen heffen. Maar tegelijkertijd blijven Schotse leden van het Britse parlement meebeslissen over de publieke bestedingen in Engeland, een recht dat de Engelsen in Schotland niet hebben. Ook wordt algemeen aangenomen dat Schotland als voorheen subsidies uit de nationale begroting zal krijgen die ver uitstijgen boven wat Engeland aan subsidies krijgt toebedeeld. En om de zaak nog ingewikkelder te maken heeft de regering Wales een beperktere autonomie aangeboden dan de Schotten.

Het Verenigd Koninkrijk zal overigens niet het enige land zijn met dit soort staatkundige anomalieën. Eén oplossing voor het hele probleem zou de geleidelijke overgang naar een federale staat kunnen zijn. De Engelsen zitten echter niet te wachten op een eigen regionaal parlement, en voorstellen van Labour in die richting krijgen nooit enige kans van slagen. Daar autonomie voor Engeland als geheel niet haalbaar lijkt, had premier Blair meer fantasie aan de dag kunnen leggen en de hervorming van de plaatselijke overheden kunnen combineren met een hervorming van het parlementaire stelsel, en dan vooral het Hogerhuis, de Britse 'Eerste Kamer', waarvan de leden nu niet gekozen worden.

Het eenvoudigst zou zijn van het Hogerhuis een gekozen vergadering te maken. Maar Blair voelt er niets voor een door verkiezingen gelegitimeerd Hogerhuis te creëren, omdat hij niet zeker weet of een toekomstige Labourregering in staat zal zijn beide 'huizen' te domineren. Daarom stelt hij nu voor om in groten getale politici in het Hogerhuis te benoemen, als tegenwicht voor de 'adellijke personen' die daar nu in zitten - te slapen, meestal. Waarom een kamer met vanuit de politiek benoemde personen democratischer zou zijn dan een kamer vol mensen die hun adelstitel hebben geërfd, wordt op geen enkele wijze duidelijk gemaakt.

De hervorming komt dus in wezen neer op een poging Schotland en Wales juist voldoende autonomie te verlenen om nationalistische aspiraties daar de wind uit de zeilen te nemen. Maar niet te veel, want dat zou een negatieve reactie in Engeland oproepen. En als aanvulling wordt beloofd het parlementaire stelsel zó te hervormen dat het precies even ondemocratisch blijft als voorheen.

Al meer dan een eeuw debatteert een voltallige politieke klasse over constitutionele hervorming, en telkens weer vindt men de discussie te ingewikkeld. Er zijn maar liefst vier pogingen gedaan om regionale autonomie in te stellen, en alle vier zijn ze mislukt. De Labour-regering verdient dus het compliment verder te zijn gegaan dan ooit.

Maar aan de praktische toepassing van de veranderingen kleven nog allerlei risico's. De Schotse assemblee wordt een podium voor financiële eisen aan Londen en ze zal geschillen met de Engelsen niet voorkomen. Integendeel: die zullen frequenter en lastiger worden. En wat belangrijker is, men zal de repercussies van de Engelsen uit niet voorkomen, en als het zover is, zal dat gevolgen hebben voor Europa als geheel.

De oprichting van de Europese Unie heeft de kleine landen van Europa hoop gegeven op een onafhankelijk bestaan in combinatie met economische welvaart. Hoewel de Unie is opgezet om etnische conflicten te overstijgen, heeft ze dus paradoxaal genoeg een nieuwe golf van nationalisme in de hand gewerkt. Voor wie altijd al geloofde dat de nationale staat zijn tijd heeft gehad, is dit niet verbazingwekkend. Maar op de meerderheid van de Engelsen, die altijd tevreden zijn geweest met hun land omdat ze nooit hoefden na te denken over de vraag wat hun staat eigenlijk inhield, zullen de gebeurtenissen die zich de komende jaren lijken te gaan afspelen een verbijsterende indruk maken.

Het is daarom waarschijnlijk dat het toch al sterke anti-Europese sentiment in Engeland nog sterker zal worden. De Britten zullen de EU gaan zien als een 'bedreiging', niet alleen voor hun Britse identiteit, maar zelfs voor het bestaan van hun land. En het Schotse parlement zal in het bijzonder zijn best doen om rechtstreeks met Brussel in contact te treden, al was het maar om de invloed van Londen te compenseren.

Geen van deze ontwikkelingen is onvermijdelijk. Maar het vermoeden blijft bestaan dat de Britse regering op eieren loopt en zal blijven lopen, in precair evenwicht tussen begrip voor de behoeften van de regio's en het verlangen een 'Britse' identiteit uit te stralen. Waar het toe leidt, blijft onvoorspelbaar en de kans op een mislukking is groter dan de kans op welk succes ook. Maar dat is dan wellicht de prijs die Tony Blair uiteindelijk moet betalen voor zijn streven radicaler te lijken dan hij eigenlijk is.