Balletorkest

In zijn artikel over het gebrek aan publieke belangstelling voor “moderne serieuze muziek” (NRC Handelsblad, 15 september) heeft Kasper Jansen helaas het meest eigentijdse symfonieorkest over het hoofd gezien. Slechts twee symfonieorkesten worden genoemd die “een duidelijk beleid ten aanzien van eigentijdse muziek hebben”, waarbij voorbij wordt gegaan aan het Nederlands Balletorkest.

Meer dan 60 procent van ons repertoire bestaat uit muziek van de twintigste eeuw, waarbij werk van nog levende Nederlandse componisten sterk is vertegenwoordigd. Voor een belangrijk deel is dit overigens te danken aan de muzikale voorkeur van de choreografen van het NDT en Het Nationale Ballet. Bij de invulling van eigen beleid echter richt het Nederlands Balletorkest zich volledig op de eigentijdse muziek. In de eerste plaats met het jaarlijkse Project Jonge Componisten dat we sinds 1982 organiseren. Volgende week donderdag brengt het orkest dankzij dit project weer vijf wereldpremières van Nederlandse componisten. In oktober volgen in het Festival in de Branding nog twee werken van Otto Ketting en de wereldpremière van Matthijs Vermeulens De Vliegende Hollander. En wie CD's prefereert boven concerten kan het orkest beluisteren met werk van Andriessen, Loevendie, De Vries, Vermeulen, Wagemans, Klein, Van Rossem, Van Emmerik, Termos, Franssens en later dit jaar Peter Schat. Aan 'moderne serieuze muziek' bij het Nederlands Balletorkest dus geen gebrek, wat overigens geen afbreuk doet aan de teneur van Jansens artikel, namelijk dat de belangstelling voor eigentijdse muziek een probleem is. Het blijft inderdaad een raadsel waarom er ten tijde van Bach en Beethoven wel naar eigentijdse muziek werd geluisterd (en zelden naar werk van dode componisten), terwijl we nu met een omgekeerde situatie zitten. Voor het Nederlands Balletorkest is dit een helangrijke reden om in plaats van de zoveelste Derde van Beethoven toch vooral eigentijdse muziek te spelen, in de hoop dat het helpt.