Angola: steeds meer mijnen

JOHANNESBURG, 18 SEPT. Voor elke inwoner van Angola ligt er, in het struikgewas, op de plantages of gewoon midden op de weg, één mijn te wachten. 11,5 miljoen mensen, een geschatte 12 miljoen landmijnen. In de burgeroorlog, die met tussenpozen al 22 jaar duurt, kwamen meer dan een half miljoen mensen om het leven, vele duizenden daarvan door mijnen.

Het land telt 70.000 geamputeerden. Begin dit jaar bracht prinses Diana een bezoek aan Angola, om mijnslachtoffers te bezoeken. Het leverde mooie foto's op, van een blonde prinses die een meisje met één been op schoot heeft. De Angolezen ontvingen haar goodwillmissie met groot enthousiasme, het was voor het eerst in hun ellendige recente geschiedenis dat iemand van naam uit het buitenland interesse toonde.

Alle goede wil heeft nog niet mogen baten. Het opruimen van mijnen is normaal gesproken al een buitengewoon lastige, tijdrovende bezigheid. In Angola is het grootste probleem dat de conflicthaard nog niet is uitgewoed. Weliswaar is er een coalitieregering van de sinds 1975 regerende MPLA en UNITA, de rebellenbeweging van Jonas Savimbi, maar het is een overeenkomst op papier. In Luanda houden beide partijen de schijn nog op, daarbuiten blijft de verstandhouding gespannen en is van samenwerking geen sprake: daar duurt het conflict voort. De meeste VN-troepen hebben Angola inmiddels verlaten. Intussen staat het mijnopruimen vrijwel stil. En komen er elke dag weer nieuwe mijnen bij. En slachtoffers.