Analfabeten; De onzichtbare autochtoon

Een op de tien Nederlanders kan niet goed lezen en schrijven. Het lot van 'functioneel analfabeten'.

ELKE DAG OM HALF VIJF OP om te werken, en 's avonds naar school. Jan (68), chauffeur bij een bedrijf dat bejaarden en gehandicapten vervoert, moet wel. “Het is bittere noodzaak sinds mijn vrouw en ik uit elkaar zijn. Zij betaalde de rekeningen, zij schreef alle brieven. En ik heb moeite met spellen, dus zit ik twee keer per week van zeven tot tien 's avonds op les.”

Moeizaam typt hij op de computer zinnetjes over van een handbeschreven velletje. Lang tuurt hij naar de toetsen. Voor de opdracht 'zakelijke brief' schrijft hij zogenaamd aan een leverancier van huishoudelijke apparaten, die hem een verkeerde nota stuurde. Naast hem zitten Rodney (26), die vanuit Suriname op zijn negende naar Nederland kwam, en Theo (29). Beiden hebben een baan, als medewerker van een technische dienst en bij de riolering, maar ze hopen via deze lessen begeerlijker voor de arbeidsmarkt te worden.

De mannen horen tot de meest gevorderde deelnemers aan de cursus 'Lezen en schrijven', die wordt aangeboden door de Basiseducatie Amsterdam. Twee niveaus onder hen zit Aisha (40) die twee jaar geleden nog niet goed wist hoe ze een pen moest vasthouden. Zij vertelt dat haar eerste woord 'mmm' was. Een van de belangrijkste redenen dat ze alsnog wil leren lezen en schrijven is dat de kinderen uit huis gaan. Zij beantwoordden voor haar alle post en vulden de formulieren in.

In Nederland is een op de tien volwassenen 'functioneel analfabeet', volgens een onderzoek dat het Max Goote Kenniscentrum, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, een jaar geleden afsloot. Functioneel analfabeten hebben wel enige scholing gehad, maar kunnen niet genoeg lezen en schrijven om zich staande te houden in de maatschappij. Sommigen hebben zich die vaardigheden nooit helemaal eigen gemaakt. Anderen zijn het, bij gebrek aan oefening, verleerd.

De eigen naam en adres en een deel van het alfabet gaan soms nog net. De meesten redden zich lange tijd dankzij hulp van een kleine kring ingewijden, meestal familieleden, en door een goed getraind geheugen. Lise (30): “Ik werk al tien jaar in een bedrijfskantine. Je leert het werk automatisch, ik weet precies hoe ik koffie aan die hoge pieten moet geven.” Echte analfabeten komen in Nederland veel minder voor. Slechts zeer kleine groeperingen allochtonen hebben nog nooit een letter op papier gezet, zoals sommige Berbers.

Eerder deze maand werd het 'Landelijk Netwerk voor Nederlandstaligen in de (basis)educatie' opgericht. Aanleiding was de terugloop van het aantal autochtone cursisten. Zevenendertig van de zesenveertig Regionale Opleidings Centra (ROC's) in Nederland sloten zich aan bij het Netwerk. Bij deze ROC's zijn sinds 1996 de basiseducatie en de aparte stichtingen voor alfabetisering ondergebracht. Margriet Ronner, directielid van het ROC in Eindhoven, zei bij de oprichting van het Netwerk: “Allochtonen komen automatisch aan je deur, zij vinden het normaal om Nederlands te leren. Autochtonen maken zich bewust onzichtbaar.”

Schaamte, de overtuiging dom te zijn en angst voor schoolgaan vormen zeker een grote belemmering. Maar Pieter de Graaf (45) en Jos Ruijs (57), initiatiefnemers van het nieuwe Netwerk en beiden ruim twintig jaar in de alfabetisering werkzaam, constateren vooral schuld bij de beleidsmakers. “Minister Ritzen schijnt te denken dat alleen de generatie die opgroeide tijdens de Tweede Wereldoorlog moeite heeft met lezen en schrijven”, zegt De Graaf, “en dat het probleem dus van voorbijgaande aard is.”

Niettemin beloofde de bewindsman van Onderwijs in 1996, toen de ROC's werden gesticht, dat hij het aantal autochtone cursisten in de gaten zou houden. In de begroting voor volgend jaar is geen extra geld specifiek voor alfabetisering van autochtonen uitgetrokken. Wel krijgen de ROC's ƒ 15 miljoen structurele subsidie erbij 'ter intensivering van de onderwijskundige inhoud'. Zij besteden dit naar eigen inzicht.

Functioneel analfabetisme komt voor bij de hele volwassen bevolking. De leeftijd van de cursisten loopt uiteen van 18 tot 80, de scholing die zij hebben gehad varieert van bijna niets tot twee jaar voortgezet onderwijs. Zij komen via bekenden, huisarts, autorijschool, arbeidsbureau, RIAGG of buurthuis op de cursussen terecht.

Rutger (26) leerde nooit schrijven omdat hij het niet met links mocht doen. “De juf op mijn Amsterdamse lagere school sloeg mijn linkerhand blauw, met een lange lat. Echt waar. Maar ik kon het niet met rechts. Wat er ook mee te maken had was dat mijn ouders me vaak thuishielden. De leerplicht werd mij onthouden.” Zijn leeftijdsgenoot Richard zat weliswaar op een LOM-school, maar kwam daar nooit verder dan de “allereenvoudigste basis”. Veel medecursisten komen uit Suriname. Zij moesten als kind werken voor de kost of helpen in de huishouding. Anderen zijn in hun jeugd veel ziek geweest of hadden psychische problemen.

Uit onderzoek is gebleken dat momenteel zeven tot tien procent van de kinderen op de basisschool het tempo niet kan bijbenen. Zij zijn veelal afkomstig uit de laagste sociale milieus en worden van huis uit niet gestimuleerd om te leren. Jos Ruijs van het Netwerk: “Op school voelen die leerlingen zich snel onzeker, waardoor ze helemaal belemmerd worden. De boodschap van thuis is vaak dubbel. Je moet goed je best doen, horen ze, maar aan de andere kant: laat de meester maar lullen.”

Er is volgens het Netwerk te weinig geld beschikbaar voor de alfabetiseringcursussen aan autochtonen. Nederlandstalige cursisten staan steeds minder in de belangstelling van de politiek en van het management van de ROC's. Gemeentes leggen de nadruk op het onderwijzen van Nederlands als tweede taal. In Amsterdam is zeventig procent van het cursusaanbod gericht op anderstaligen.

Een ander punt is dat steeds meer cursisten door de sociale dienst worden doorverwezen. “In plaats van een algemeen vangnet”, zegt Ruijs, “worden de cursussen exclusief voor mensen die bemiddelbaar zijn op de arbeidsmarkt.” Voor wie nooit in een baan terecht kan komen, omdat hij bijvoorbeeld al te oud is of een beroepsopleiding nooit zal aankunnen, is steeds minder plaats.

Hank Gronheid en haar collega Ida Boersma, docentes basiseducatie in Amsterdam, onderstrepen dat het onterend en onwettig is mensen onderwijs te onthouden. Het kost bovendien extra geld. Analfabeten zoeken aanmerkelijk vaker dan 'lezers en schrijvers' hun heil bij sociaal raadslieden en maatschappelijk werk. Cursiste Alice (31) zegt het aldus: “Ik voel mij nu pas echt een vrouw in de maatschappij.” Al jaren werkt zij als alfahulp in de thuiszorg, sinds kort kan ze zelf haar nieuwe schoonmaakadressen opschrijven als ze wordt opgebeld.

“Na één les zie je ze vaak al opbloeien: dat dit bestáát!”, zegt docente Gronheid. “Ik laat ze hun post meenemen, of reclame die in de bus komt. Het vertrekpunt ligt dichtbij, in hun eigen leefwereld. Sommige mensen ontdekken dat ze meer kunnen dan ze denken. Dan herkent iemand bijvoorbeeld het woord 'mayonaise', al leest hij het niet. Dat is toch mooi?” Lise (30), leerlinge van Gronheid, wil graag basisvaardigheden leren, zoals het schrijven van een boodschappenlijstje. “Ik hoef geen brief aan de ministers te kunnen schrijven.”

Niet iedereen slaagt er uiteindelijk in perfect te leren lezen en schrijven. Vermoeidheid kan daarvoor de reden zijn, tegenstand van thuis of moeite met leren. Veelal wordt door de mannelijke deelnemers overdag zwaar lichamelijk werk verricht, waardoor ze, zoals Gronheid zegt, “met rode oogjes in de klas zitten”. De vrouwelijke cursisten worden soms belemmerd door hun kinderen of hun man. “Het huishouden moet aan kant zijn, het eten gekookt, de afwas gedaan. Bijna iedereen komt hier op het laatste moment binnenrennen.”

Het isolement waarin sommige cursisten leven is onvoorstelbaar groot. Het meest extreme voorbeeld dat de docenten uit Amsterdam kennen is dat van een leerlinge uit de Jordaan. Met haar klas maakte zij een wandeling langs de hofjes in haar wijk. Ze had ze nog nooit gezien. De vrouw kwam namelijk nooit buiten de straat waar ze woonde, met onder haar woning een supermarkt en haar moeder naast haar. Toen de docente verbijsterd vroeg wat ze dan dit weekeinde had gedaan, antwoordde zij: “Ik heb de trap gedaan.”

“Maar verreweg de meeste cursisten”, zegt Gronheid, “vergaat het zoals de leerling die ik ooit had uit Amsterdam-Noord. Hij durfde niet in zijn eigen buurt les te nemen, bang om een bekende tegen te komen. Eenmaal gealfabetiseerd kwam hij naar me toe, juichend bijna: nu kan ik een boekenkast kopen! Pas met een boekenkast, vond hij, ben je een volwaardig mens.”

Op verzoek van de cursisten zijn hun namen gefingeerd.