Zelf de vijand in stand houden

Opeens stond hij voor mijn neus en ik vond het helemaal niet erg. Ik had anderhalf uur in de stromende regen gelopen bij een temperatuur die zelfs voor Noord-Ierland laag was, toen z'n auto stopte en hij vroeg of ik een lift wilde naar Castlederg. Dat wilde ik wel. Martin Bradley was 'countryside officer' voor het district Strabane. Hij ging naar Castlederg, zo'n 40 km ten zuiden van Londonderry en de meest westelijke stad van Brits Noord-Ierland, om te controleren of de bewegwijzering die hij vorig jaar had uitgezet op een wandelroute nog intact was.

Martin Bradley is een goedlachse veertiger met een fikse krullenbol waarvan de eerste grijze haren zichtbaar worden. Hij woont met vrouw en kinderen in Derry. Hij is katholiek maar houdt er gematigde ideeën op na. Van geweld moet hij niets hebben. Bijna smalend praat hij over de Bogside in Derry als 'het IRA-getto'.

Behalve de rellen waar hij wel wat van heeft gezien in Derry, heeft hij maar één keer echt iets gemerkt van the troubles. Martin: “Op een ochtend toen ik m'n dochter naar school bracht, zag ik in de verte een lichtflits. Seconden later volgde er een harde knal. Instinctief dook ik weg. Toen ik opkeek zag ik dikke rookwolken op de plek van de lichtflits. Eenmaal dichterbij zag ik dat het overheidsgebouw dat er stond compleet was weggevaagd. Dat was een gekke ervaring.”

Hoewel Martin zelf ook voor de overheid werkt, is hij noch zijn gezin ooit bedreigd. “Ik werk voor de gemeenschap, in het belang van het land. Dat is geen probleem. Dat wordt het wèl op het moment dat een aannemer een klus gaat doen voor de politie. Dat wordt gezien als verraad.”

De Noord-Ierse politie, de Royal Ulster Constabulary (RUC), bestond en bestaat nog steeds vrijwel geheel uit protestanten. De katholieke minderheid ziet de politie dan ook bepaald niet als haar vriend en zo werden de katholieken in het verleden ook niet door de RUC behandeld; de politie was behoorlijk gewelddadig. Volgens veel katholieken was dat niet alleen in het verleden het geval, maar is dat nog altijd zo. Natuurlijk heeft de RUC jaren geleden al begrepen dat een uitbreiding van het politiekorps in katholieke richting zeer gewenst was. Er was echter een klein probleem: de IRA keerde zich er tegen. Katholieken die zich bij de politie aanmeldden worden beschouwd als verraders. En op verraad staat nog altijd maar één ding: de doodstraf. Zo houd je de vijand in stand natuurlijk.

Volgens Martin zou de Engelse regering liever vandaag nog dan morgen van Noord-Ierland af zijn. “Na Hongkong zijn Gibraltar, de Falklandeilanden en Noord-Ierland het enige dat de Britten nog rest”, zegt hij lachend. “Noord-Ierland kost Engeland honderden miljoenen per jaar. De politie en het leger slokken een groot deel van dat budget op, maar ook de hoge werkloosheid kost een vermogen aan uitkeringen. Er wonen 1,6 miljoen mensen in Noord-Ierland. Als die last op de schouders van de 3,1 miljoen Ieren komt te liggen, gaat Ierland failliet.”

Het weer is inmiddels opgeknapt en ik vergezel Martin op zijn tocht langs de wandelroute. Langzaam maar gestaag klimmen we naar boven, de heuvels in. Op de top aangekomen blaast een ijskoude wind ons in het gezicht. Maar al onze moeite wordt rijkelijk beloond: we hebben een prachtig uitzicht over de Sperrin Mountains. Eén keer heeft Martin een bordje rechtgezet; verder lijkt het wandelpad nog in puike conditie. Op de terugweg wijst hij me op de overbegrazing van veel heuvels door de schapen. “Er zijn teveel schapen, waardoor de structuur van de planten die de grond bij elkaar houden wordt aangetast. Na een regenbui, en daar hebben we hier geen gebrek aan, spoelt de losse aarde de berg af. Gevolg: erosie. En hoe komt het dat er te veel schapen zijn? Juist. Omdat de boeren door de EU worden gesubsidieerd.'