Uitstel EMU moet bespreekbaar zijn

Bundesbank-president Hans Tietmeyer heeft veel aandacht getrokken met het interview in weekblad Die Woche waarin hij zei hij, dat de wereld niet zou instorten bij uitstel van de Economische en Monetaire Unie (NRC Handelsblad, 4 september). De zin die daar op volgde, dat hij zich daarmee niet wilde uitspreken voor of tegen uitstel, bleef wat onderbelicht. Maar waarom zei hij het dan? Blijkbaar vindt hij het belangrijk, dat op de mogelijkheid van uitstel geen taboe rust.

Tietmeyer wil het debat, dat zich in Duitsland toespitst op de vraag of het financieringstekort enkele tienden méér mag zijn dan 3 procent, een fundamenteler karakter geven. Hoe duurzaam zijn de maatregelen die de kandidaat-lidstaten hebben genomen om hun overheidsfinanciën te beheersen? Welke gevolgen kunnen de grote verschillen in de omvang van de staatsschuld straks voor de EMU hebben?

Opmerkelijk was een andere uitspraak in het interview. Landen waar de staatsschuld boven de 60 procent van het BBP ligt, moeten een financieringstekort hebben dat belangrijk minder is dan 3 procent. En de staatsschuld zou een duidelijke daling te zien moeten geven.

Italië voldoet niet aan deze eisen. De schuld daalt nauwelijks en bedraagt met 123 procent meer dan het dubbele van 60 procent. En het financieringstekort zal naar verwachting in 1997 3,2 procent bedragen. Zo'n staatsschuld verhoogt waarschijnlijk de weerstand tegen renteverhogingen als de Centrale Bank die nodig vindt om de prijsstabiliteit te verzekeren. Dat vergroot de kans op conflicten.

Tietmeyers eisen zijn geheel in overeenstemming met het Verdrag van Maastricht. Dat aan het financieringstekort hogere eisen moeten worden gesteld naarmate de staatsschuld groter is, werd door De Nederlandsche Bank al gesteld in haar jaarverslag over 1993. En in het Verdrag staat dat de schuldquote de 60 procent niet mag overtreffen, “tenzij de verhouding in voldoende mate afneemt en de referentiewaarde in een bevredigend tempo benadert”.

Als de EMU in 1999 toch begint, lopen wij een risico. Beheersing van de overheidsfinanciën, een essentiële voorwaarde voor een goed functionerende EMU, is in Duitsland en Frankrijk moeilijker gebleken dan werd gehoopt. De geloofwaardigheid van het Stabiliteitspact, dat een belangrijke verdere tekortvermindering vereist om te zorgen dat het tekort bij een tegenvallende conjunctuur niet prompt door het plafond schiet, dreigt zo al meteen te worden aangetast. Dat risico moet worden afgewogen tegen het risico dat wij lopen bij uitstel. Dat risico is niet dat de wereld vergaat, maar wel dat - tenzij het gaat om een kort, technisch gemotiveerd uitstel - de geloofwaardigheid van de EMU wordt aangetast, met alle gevolgen in de markt en voor de politieke verhoudingen.

Bij die afweging zou doorslaggevend moeten zijn hoe de groep is samengesteld waarmee in 1999 wordt begonnen. Duitsland en Frankrijk hebben hun overheidsfinanciën in het verleden redelijk in de hand gehouden. Maar toelating van een land als Italië zou betekenen dat de criteria aanzienlijk worden opgerekt. De kans op spanningen tussen een op prijsstabiliteit gericht monetair beleid en te expansieve overheidsfinanciën neemt dan toe. Zo wordt de EMU geen bindmiddel, maar splijtzwam.

De kans om in 1999 met een betrekkelijk homogene EMU te beginnen is het grootst, als duidelijk wordt dat het alternatief niet een heterogene EMU, maar uitstel is. Als de Bundesbank voor een homogene EMU pleit, kan bondskanselier Kohl daaraan - zeker in een verkiezingsjaar - niet voorbijgaan. En Nederlandse steun aan die visie zou daarbij helpen.