Kaartjes theater en film niet goedkoper

AMSTERDAM, 17 SEPT. De verlaging van de BTW voor film en podiumkunsten leidt volgens vertegenwoordigers van de twee kunstsectoren niet tot verlaging van toegangsprijzen bij concerten en voorstellingen van toneel, theater en film. Gisteren zei koningin Beatrix in de Troonrede namens het kabinet dat de BTW-verlaging bij de podiumkunsten de “toegankelijkheid” bevordert. Maar volgens de kunstwereld is hooguit sprake van een uitstel van prijsverhogingen.

Staatssecretaris Nuis (OCW) zei vanmorgen dat met het woord 'toegankelijkheid' in de Troonrede geen prijsverlaging werd gesuggereerd, maar een verbetering van het kunstproduct en de omstandigheden waaronder dat wordt gepresenteerd.

Bij de podiumkunsten (zoals muziek en toneel), waar de BTW-verlaging van 17,5 naar 6 procent in september volgend jaar ingaat, is volgens Nuis sprake van “een belangrijke impuls in de cultuursector.”

Nuis verplicht de kunstwereld de verwachte 35 miljoen extra allereerst te gebruiken voor de bestrijding van de gevolgen van de nieuwe Arbeidstijdenwet en de vergrijzing. Dat zou 8 tot 10 miljoen gulden vergen. De besteding van het overblijvende deel is vrij. “Er is geen verplichting tot lagere toegangsprijzen, het geld mag ook worden uitgegeven aan mooiere producties, aan andere kosten of aan het personeel”, aldus een OCW-woordvoerster.

Volgens de Vereniging van Nederlandse toneelgezelschappen (VNT), het Contactorgaan van Nederlandse orkesten (CNO), de Vereniging van theater- en tvproducent (VTP) en de Vereniging van schouwburg- en concertgebouwdirecties (VSCD), zijn de sterk stijgende kosten veel groter dan de opbrengst van de BTW-verlaging. Die kostenstijging wordt gedeeltelijk veroorzaakt door overheidsmaatregelen.

Pagina 9: 'Een sigaar uit eigen doos'

Directeur J. Knopper van de VSCD betitelt de BTW-verlaging dan ook als “een beetje een sigaartje uit eigen doosje.” Knopper zegt al blij te zijn als het huidige aanbod kan worden gehandhaafd. De VTP is verheugd over de BTW-verlaging, omdat die uitsel betekent van een prijsstijging van tien tot vijftien procent.

Volgens VNT-directeur J. Jong kost de nieuwe arbeidstijdenwet het toneel 4,5 miljoen extra, terwijl de BTW-verlaging de sector slechts vijf tot zes ton oplevert. Ook directeur R. Wolfensberger van het CNO ziet ondanks de BTW-verlaging van 2,3 miljoen bij de orkesten geen lagere toegangsprijzen. “In de Troonrede rekent men zich rijk, er moet eerder nog meer geld bij.” De meeste orkestmusici halen niet actief de pensioengerechtigde leeftijd en de steeds hogere werkdruk resulteert in stress en ziekteverzuim. Een ouderenbeleid dat musici toestaat om korter te werken zou op zijn minst 5 miljoen gulden kosten.

De filmconsument ziet zeker niets terug van de BTW-verlaging. R. Rienstra, directeur van het Nederlands Fonds voor de Film, ziet het nieuwe beleid zelfs nog niet direct ten goede komen van de productie van Nederlandse films. De al enkele jaren geleden doorgevoerde BTW-verlaging (bruto opbrengst: ongeveer 18 miljoen gulden per jaar) heeft niet geleid tot een prijsverlaging in de bioscoop.

De theaterexploitanten en filmdistributeurs mogen op dit moment de helft van de meeropbrengst zelf houden, de andere helft wordt krachtens de zogenaamde BTW-overeenkomst via het Nederlands Fonds voor de Film teruggestort in de kunstbegroting. In ruil voor deze administratieve verwerking krijgt het Filmfonds jaarlijks een miljoen extra van OCW. Nu deze BTW-overeenkomst per 1 januari 1999 wordt opgezegd, vervalt dat extra miljoen. Wel komt nu het hele bedrag van 18 miljoen ten goede aan wat in de begrotingstoelichting 'de filmsector': wordt genoemd: het betreft hier dus voornamelijk bioscoopexploitanten en distributeurs van (voor meer dan 85 procent Amerikaanse) films.

Ook verwacht Nuis dat de Nederlandse Federatie voor de Cinematografie (NFC), de overkoepelende organisatie van het bioscoop- en filmbedrijf, een extra bijdrage zal leveren van 2 miljoen gulden aan het Filmfonds. Een woordvoerder van de NFC zei gisteren nog van niets te weten en kon ook niet bevestigen dat er een toezegging gedaan was. Volgens Rienstra moeten we maar afwachten of het commerciële filmbedrijf die bereidheid aan de dag zal leggen: “Als ik hen was, zou ik in ieder geval proberen de hele buit vast te houden”. De aanduiding van het bioscoopbedrijf als 'de filmsector' acht hij op z'n zachtst uitgedrukt 'ruimhartig'.