Het ideaal van bouwend Nederland

Tentoonstelling: De smaak van de opdrachtgever (3): de woningcorporatie.

Tot 16 oktober in ARCAM galerie, Waterlooplein 213, Amsterdam. geopend: di t/m za 13-17 uur. Toegang gratis.

Buitenstaanders moeten vorige week versteld hebben gestaan over de wereld van de architectuur. Meer dan 300 architecten, zo bleek zaterdag uit de uitslag van een in opdracht van De Volkskrant gehouden enquête, hadden de voorzitter van hun eigen bond, Carel Weeber, tot slechtste architect gekozen. Hun verbazing zal nog zijn toegenomen toen ze bij verdere lezing van de enquête-uitslag merkten dat er niet één werk van Weeber zat onder de vijf lelijkste gebouwen die volgens dezelfde 300 architecten in Nederland waren gebouwd. De slechtste architect van Nederland moet toch het lelijkste gebouw van Nederland hebben ontworpen, denkt een naïeveling. Maar nee, de eer van het allerlelijkste gebouw van Nederland was weggelegd voor de Stopera in Amsterdam, ontworpen door onder anderen Cees Dam die tot op één na slechtste architect werd gekozen door zijn collega's.

Maar wie de verhoudingen in de Nederlandse architectuur een beetje kent, was minder verbaasd over de uitslag. Carel Weeber is immers al lange tijd goed voor tegendraadse meningen. Toen veel architecten zich in Nederland bezighielden met het ontwerpen van woonerven, trok Weeber ten strijde tegen de 'nieuwe truttigheid'. En nu twintig jaar later veel van zijn collega's het druk hebben met het bouwen van de 800.000 woningen die op de zogenaamde VINEX-locaties 'compacte steden' moeten vormen, pleit Weeber juist voor 'het wilde wonen'. In een geliberaliseerde en geprivatiseerde samenleving moet de overheid zich minder bemoeien met de woningbouw, vindt Weeber. Niet in redelijk dicht bebouwde wijken moet Nederland wonen, maar in vrijstaande huizen, waarvan de onderdelen kunnen worden gekocht op een soort bouwmarkt. Dit is op een groot deel van de wereld de normale woningbouwpraktijk, aldus Weeber, en zo woont ook de gemiddelde Nederlander het liefst.

Dit is natuurlijk niet iets dat architecten graag horen: niemand vindt het prettig als de voorzitter van zijn vakorganisaties min of meer pleit voor de afschaffing van zijn beroep. Voor zijn tegendraadsheid is Weeber nu met zijn uitverkiezing tot Nederlands 'slechtste architect' zwaar gestraft. Te zwaar, want de enquête mag dan volkomen onzinnig zijn - onder de 300 geënqueteerden zijn zeker tientallen architecten die veel meer dan Weeber in aanmerking komen voor de kwalificatie 'slechtste architect' maar hun werk is terecht anoniem gebleven - toch zal Weeber zeker enige tijd worden herinnerd als een architect die zijn mond moet houden, omdat hij zelf zijn vak niet verstaat. Dat is jammer, want Weeber is een van de weinige architecten in Nederland die wezenlijke vragen over hun beroep stellen.

Zo is een interessante afgeleide van Weebers campagne voor 'het wilde wonen' zijn recent opgedoken afkeer van de overheersing van het modernisme in de architectuur. De overheidsbemoeienis met de woningbouw gaat samen met een voorkeur voor modernistische architectuur, beweert Weeber. Modernisme wordt door beleidsmakers, architecten, critici en andere ingewijden hogelijk gewaardeerd, maar niet door de leken en gebruikers van de gebouwen: er bestaat een grote kloof tussen de smaak van de bouwende elite en de rest van de bevolking.

Deze stelling van Weeber valt nu te controleren in de serie tentoonstellingen over de smaak van opdrachtgevers die het Amsterdamse architectuurcentrum ARCAM maakt. De eerste ging over de architectonische smaak van de Amsterdamse stadsdeelwethouders, de tweede over die van een projectontwikkelaars en de derde gaat nu over de voorkeur van voorzitters van Amsterdamse woningbouwcorporaties. Steeds konden deze opdrachtgevers op foto's en ontwerptekeningen laten zien wat achtereenvolgens hun 'ideale project' was, hun 'laatst gerealiseerde project in de regio Amsterdam waarbij ze waren betrokken en waarop ze trots zijn' en ten slotte 'het beste project in de regio Amsterdam' waar ze nu mee bezig zijn.

De eerste categorie, hun ideaal, zegt het natuurlijk meest over de smaak van de opdrachtgevers. Hierbij kunnen ze, ongehinderd door de weerbarstige praktijk van de andere voorkeursprojecten, hun architectonische geloof belijden. De veronderstelde sterke voorkeur voor het modernisme zou hieruit moeten blijken.

Welnu, onder de idealen van de opdrachtgevers zitten niet zo gek veel modernistische gebouwen. Zeker, A.V.M. Pouw, directeur van het Woningbouwbedrijf Amsterdam, noemt als zijn ideaal het Barcelona-paviljoen van Ludwig Mies van der Rohe, maar Le Corbusier, de held van zoveel architecten, blijft opmerkelijk genoeg ongenoemd. En tegenover de paar beleden nadrukkelijk modernistische idealen staan even veel classicistische projecten, zoals de woningbouw van Ricardo Bofill aan het De Monchyplein in Den Haag.

Er is geen sprake van een overheersend ideaal onder opdrachtgevers. Berlage's werk wordt een paar keer genoemd, de P.L. Takstraat van de Amsterdamse-Schoolarchitecten Kramer en De Klerk wordt één keer naar voren geschoven, en ook newMetropolis van Renzo Piano, het Plan-Van Gool en wijken van Lafour en Wijk en van Jo Coenen in Amsterdam worden genoemd. Palladio, Gaudí, I.M. Pei, Frank Gehry, Teun Koolhaas - de lijst van idealen is lang en divers. Het enige dat ervan kan worden gezegd is dat ze een keurige lijst vormen. Extremen, zoals nazigebouwen, Las Vegas of zelfs het door leken geliefde maar door architecten verachte werk van Alberts en Van Huut, worden niet genoemd. Het ideaal van opdrachtgevend Nederland is cultureel correct, zo luidt de conclusie van de drie smaaktentoonstellingen in ARCAM galerie.