Verdachte in politieverhoor is niet per se ook de dader

Niet alleen in Engeland wordt soms de hand gelicht met verhoormethoden. Ook in verhoorkamertjes hier te lande wordt het verdachten op oneigenlijke manieren moeilijk gemaakt en kunnen de gevolgen dramatisch uitpakken, betoogt J.A. Blaauw.

Laten de Britse ervaringen een ernstige waarschuwing zijn bij de discussie in Nederland over de beoordeling van de Zaanse of vergelijkbare verhoormethoden, zo schreven mr.dr. H. Nijboer en mr. O. Vos in hun artikel 'Eenduidigheid nodig bij aanpak criminelen' (NRC Handelsblad, 15 augustus). Hun hartenkreet slaat op enkele 'schrikbarende' gerechtelijke dwalingen, die zich in Engeland hebben voorgedaan. Het ging daarbij om zaken “waarin de politie tijdens het verhoor zoveel druk op de - sociaal en intellectueel zwakbegaafde - verdachten had uitgeoefend, dat deze daden hadden bekend die zij niet hadden begaan”.

De waarschuwende vinger van Nijboer en Vos is zonder enige twijfel op zijn plaats. Teneinde ervaringen op te doen op het gebied van valse bekentenissen als gevolg van dubieuze verhoormethoden kunnen we echter evenzeer in eigen land te biecht gaan. Niet geheel ten onrechte wordt de politie met enige regelmaat beschuldigd van dubieuze verhoormethoden. De kritiek draait dan meestal om drie punten: overtreding van het pressieverbod van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering, onjuiste weergave van de afgelegde verklaring in het proces-verbaal en een niet-objectieve benadering van getuigen.

Deze politiële uitglijders, die vooral dramatische gevolgen kunnen hebben voor achteraf ten onrechte beschuldigde verdachten, vinden als regel hun oorzaak in drie steevast met elkaar verweven elementen: een ondeskundige/onprofessionele wijze van verhoor, de mentaliteit van de verhoorder en de zeer besmettelijke scoringsdrift, om kost wat kost met een dader boven water te komen.

De zogeheten Zaanse verhoormethode, ook wel aangeduid als Case 36, is een duidelijk voorbeeld. Met deze methode wordt beoogd via indringende, frequente en langdurige verhoren, aangekleed met allerlei intimiderende of weekmakende hokus pokus, in iemands onderbewustzijn binnen te dringen en zodoende een herbeleving van het delict op te roepen. Aangezien herbeleving alleen kan plaatsvinden door iemand die de desbetreffende gebeurtenis zelf heeft beleefd (niet gedroomd), houdt dit in dat bij toepassing van deze methode er bij voorbaat van uit wordt gegaan dat de verdachte de dader is. Het gaat er alleen nog maar om, bij die 'dader' een bekentenis los te weken.

Het is een filosofie die volkomen haaks staat op het enig juiste uitgangspunt voor ieder politieverhoor: het achterhalen van de waarheid. In drie zaken waarin deze methode werd toegepast, heeft de rechter intussen weliswaar beslist “dat het niet haar taak is een oordeel uit te spreken over de zogeheten Zaanse verhoormethode of welke verhoormethode dan ook”, maar ook dat in al deze gevallen het pressieverbod is overtreden.

Tot welke dramatische gevolgen dubieuze verhoormethoden kunnen leiden wordt onder meer duidelijk in de Puttense moordzaak. Het betreft hier een in januari 1994 in een afgelegen woning in die gemeente gepleegde moord op een 23-jarige stewardess. Voor deze moord (en verkrachting) werden ongeveer zes weken later vier verdachten opgepakt. Twee van hen werden veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf. De beide anderen, die door een raam vanuit de voortuin het plegen van het delict enige tijd zouden hebben gadeslagen, werden als getuigen gehoord. Na bestudering van het dossier, gesprekken met onder anderen beide genoemde getuigen, onderzoek ter plaatse en langdurige gesprekken met de beide veroordeelden, is geen andere conclusie mogelijk dan dat de uitkomst van deze moordzaak primair berust op puur valse bekentenissen. Nog concreter gezegd: de beide veroordeelden hebben met de Puttense moord niets van doen gehad, evenmin als de beide zogenaamde getuigen. Eén van beiden, een intellectueel zwakbegaafde, zou ik zelfs niet graag als kerngetuige in een moordzaak opgevoerd hebben.

De 'bekentenissen' die zijn afgelegd (ook die van de beide getuigen) zijn tot stand gekomen tijdens extreem lange en veel politieverhoren. Op papier alleen al gezamenlijk in totaal 218 keer. Daarbij werd de verdachten vanaf het moment van arrestatie voortdurend en indringend, op uitermate zwakke gronden en soms zelfs op grond van onjuiste informatie, voorgehouden dat ze de daders moesten zijn. Een (onbekend) aantal verhoren werd op videoband opgenomen. Een van de verbalisanten verklaarde in dit verband voor het Gerechtshof in Arnhem dat het opnemen 'geen bewijstechnisch doel' had, de banden werden uitsluitend gebruikt “om reacties te peilen en ter ondersteuning van de verhoren”.

Alhoewel merkwaardig, kan dat op zichzelf nog wel begrijpelijk zijn. Waar ik echter helemaal niets van begrijp is dat die banden na gebruik eenvoudig werden overgespoeld. Het gevolg was dat van alle ingewikkelde en moeizaam tot stand gekomen 'bekentenissen' in deze gruwelijke moordzaak bij de rechter nog niet het kleinste beeldfragment kon worden getoond.

De verhoren in de Puttense moordzaak lijken in een aantal opzichten voorlopers van de Zaanse methode. En hoe dramatisch de gevolgen kunnen zijn wanneer het politieverhoor, danwel de neerslag daarvan in het proces-verbaal, aan alle kanten rammelt, hebben we recent nog kunnen constateren in de affaire-Lancee. Ook hier heeft de mensonterende wijze waarop deze politieman en zijn gezinsleden thuis werden gearresteerd, naar gebleken is ten onrechte, als hoogtepunt in het totale (gezins)drama diepe traumatische sporen nagelaten.

In de Puttense moordzaak en de affaire-Lancee zit een parallel. In beide zaken is het kennelijk niemand gelukt om op enig moment het rechercheteam een ogenblik halt te laten houden, emoties en overtuigingen even te laten voor wat zij zijn, en vervolgens zeer kritisch te bezien of de uitkomsten van de verhoren er niet op wijzen dat het team op een dwaalkoers terecht is gekomen.

Nadat de Recherche-Advies Commissie (RAC) in november vorig jaar haar licht had laten schijnen over de Zaanse verhoormethode, werd deze door de minister van Justitie verboden. De RAC had onder meer kritiek op de kwestie van de zogenaamde herbeleving en op de beoordeling van non-verbaal gedrag van de verdachte tijdens het verhoor. Niettemin meende de RAC dat de Zaanse verhoormethode een aantal elementen bevat, die voor verdere ontwikkeling in aanmerking komen. Het gaat hierbij om het maken van een gedegen verhoorplan waarbij de persoon van de verdachte en de plaats van het delict grondig worden bestudeerd, het samenstellen van een speciaal verhoorteam, de assistentie van een gedragsdeskundige als adviseur, het volgen van het verhoor vanuit een regiekamer, het langdurig en intensief verhoren, en tenslotte om de confrontatie van de verdachte met op de zaak betrekking hebbende foto's en ander technisch bewijs. Deze elementen vormen, aldus de RAC, een aanzet tot het ontwikkelen van een nieuwe verhoortechniek voor situaties waar “de standaard verhoormethode minder geschikt is”. De commissie denkt daarbij aan ernstige strafbare feiten met een zwijgende of professionele verdachte. Deze aanbeveling komt neer op de ontwikkeling van een Zaanse verhoormethode nieuwe stijl. Het kwalijke daarvan is dat zo'n methode gericht blijft op het 'aan het praten krijgen' van de verdachte.

Wat in dit verband moet worden verstaan onder een 'zwijgende' verdachte is duidelijk. Wat daarentegen wordt bedoeld met een 'professionele' verdachte ontgaat mij. Het Wetboek van Strafvordering maakt geen onderscheid in soorten verdachten, ook niet in verhoortactische zin.

Het is aan de politie om door gedegen tactisch en technisch rechercheonderzoek het bewijs van delicten aan te dragen. De verdachte moet daarbij op professionele wijze met feiten te lijf worden gegaan. Hoe (voorzienbaar) zwijgzamer hij zich na zijn arrestatie zal opstellen (wat zijn goed recht is) des te grondiger en professioneler moet het voorbereidend rechercheonderzoek zijn. De kroon op dat onderzoek is niet de bekentenis van de verdachte, maar de constatering dat die, gezien het verzamelde bewijs, eigenlijk niet nodig is.

Het valt aan te bevelen om in plaats van het ontwikkelen van een nieuwe verhoormethode, energie te steken in het op peil brengen van de verhoorkunst binnen alle niveaus van de recherche. Het laatste waar de recherche behoefte aan heeft zijn speciale verhoorteams. Ten tweede wordt het hoog tijd om een goed alternatief te bieden wanneer de politie zich effectief wil indekken tegen beschuldigingen van dubieuze verhoormethoden en tevens de raadsman buiten de verhoorkamer wil houden - waar ik nog steeds een voorstander van ben). Ongeacht de kosten moeten verhoren in ernstige zaken automatisch en vanaf het eerste moment op videoband vast worden gelegd en goed worden bewaard. En het zou de wetgever niet misstaan het pressieverbod van artikel 29 Strafvordering concreet nader in te vullen: geen giften, beloften, misbruik van gezag, bedreiging, geweld, misleiding of intimidatie.