Unionisten voelen zich ongewenst en onbegrepen

Door krampachtig vast te houden aan de status quo hebben de unionisten het vredesproces vertraagd en de kans voorbij laten gaan om ontwikkelingen mee te sturen. Maar er lijkt zich een kentering binnen het unionistische kamp te voltrekken.

LONDEN, 16 SEPT. Geen gemeenschap wappert zo vaak en wanhopig met de 'Union Jack' als de protestanten in Noord-Ierland. Geen bevolkingsgroep in het Verenigd Koninkrijk noemt zich zo graag 'Brits' als de unionisten. Dat is hun manier om zich te distantiëren van de katholieke Ieren tot wie ze zijn veroordeeld. Zij horen bij Engeland, Wales en Schotland, hun broeders in de Britse Unie, van wie ze door de zee gescheiden zijn.

Unionisten, die naam is misleidend. Onderling zijn ze hopeloos verdeeld. Niet alleen in dertien kerkgenootschappen en vijf politieke partijen. Ook hun opvattingen over de politieke toekomst van Noord-Ierland, over bestuurlijke samenwerking met de nationalisten, over de kansen op vrede in de provincie, lopen mijlenver uiteen.

Het enige wat hen verenigt is een diepe vrees. De vrees van een gemeenschap die zich al eeuwen in de verdediging voelt gedrongen. Al sinds ze ruim 300 jaar geleden vanuit Schotland de oversteek maakten, in het kader van de kolonisatie van het katholieke Ierland, voelen ze zich ongewenst en onbegrepen. Voortdurend belaagd en belegerd. Niet voor niets luidt hun credo 'No Surrender', geen capitulatie. Vasthoudendheid, onverzettelijkheid en waakzaamheid verzekerden eeuwenlang hun lijfsbehoud.

Die levensinstelling annex overlevingsstrategie is door de tweedeling van Ierland in 1921 niet wezenlijk veranderd. De protestanten waren in Noord-Ierland wel in de meerderheid. Maar aan die hegemonie ontleenden ze weinig zekerheid. In het Zuiden stonden ze toch nog steeds tegenover een katholieke, nationalistische overmacht. Protestanten in de Ierse republiek werd het leven en geloven systematisch onmogelijk gemaakt. Dat de unionisten reageerden door in Noord-Ierland de katholieke minderheid te onderdrukken, beschouwden ze niet als vergeldingsmaatregel maar als pure zelfverdediging.

Sinds de katholieke minderheid aan het eind van de jaren zestig met een campagne voor gelijkwaardige behandeling begon, hebben de unionisten het idee dat ze steeds sterker in de verdrukking komen. Het verboden Ierse Republikeinse Leger (IRA) probeert al bijna dertig jaar de Britten met terreur uit Noord-Ierland te verdrijven. Onder druk van de geweldsgolf kwam een kwart eeuw geleden ook het Noord-Ierse parlement aan zijn einde, waarin de unionisten de dienst uitmaakten. Sinds 1972 wordt Noord-Ierland direct vanuit Londen geregeerd.

Terwijl het zelfvertrouwen en elan van de nationalistische minderheid almaar toenam, kropen de unionisten steeds verder in hun schulp. Klein en angstig. Barstend van het wantrouwen. Vol zelfmeelij. Elke poging van de Britse regering om tot een politieke regeling voor Noord-Ierland te komen, zagen de unionisten als frontale aanval op hun positie. Elke samenwerking tussen Groot-Brittannië en Ierland legden ze uit als een bedreiging van de Unie. Elke handreiking naar Sinn Fein, de politieke vleugel van de IRA, werd als 'verraad' en 'knieval voor geweld' beschouwd.

Door krampachtig vast te houden aan de status quo hebben de unionisten het vredesproces van de afgelopen jaren vertraagd en de kans voorbij laten gaan om ontwikkelingen mee te sturen. Angst heeft hun onverzettelijkheid verstijfd tot starheid. Door alleen maar 'nee' te roepen gunden ze initiatief en goodwill aan de nationalistische tegenpartij.

De laatste maanden lijkt zich een kentering binnen het unionistische kamp te voltrekken. Een aantal niet-politieke leiders - dominees en aanvoerders van de invloedrijke Oranje Orde - voert achter de schermen campagne om de traditionele principieel-dogmatische houding te verruilen voor een meer flexibele, strategische aanpak. Die koerswijziging lijkt te kunnen rekenen op brede steun van de unionistische aanhang. Meer dan tachtig procent van alle protestanten vindt dat de unionistische partijen aan het vredesoverleg moeten meedoen, zo bleek vorige week uit een peiling in de Noord-Ierse Belfast Telegraph. Die duidelijke stemverklaring kwam op een moment dat de Democratic Unionist Party (DUP) van de militante dominee Ian Paisley en de UK Unionist Party van Robert McCartney hun deelname aan die “schijnvertoning” al hadden uitgesloten. David Trimble, de leider van de Ulster Unionist Party (UUP), hield nog een slag om de arm maar had al wel verklaard dat hij alleen de gedachte aan een ontmoeting met Sinn Fein-president Gerry Adams al “weerzinwekkend” vond.

Als leider van de grootste unionistische partij verkeert Trimble in een uiterst lastige positie. Hij kan het voorbeeld van de DUP en UK Unionist Party niet volgen zonder het verwijt te oogsten dat hij 'een unieke kans op vrede' saboteert. Daarbij loopt hij het risico dat er een politieke regeling komt voor Noord-Ierland, zonder dat de unionisten daarin een stem hebben gehad. Maar meedoen aan het overleg heeft voor Trimble ook zijn gevaren. Hij herinnert zich nog goed hoe het zijn voorganger Brian Faulkner in 1974 vergaan is. Faulkner toonde zich bereid de macht te delen met de nationalisten. Een beslissing die niet alleen zijn val inluidde maar ook leidde tot een opstand en een splitsing binnen zijn partij. Bijna een kwart eeuw later staan binnen en buiten de Ulster Unionist Party de politieke tegenstanders al weer klaar om Trimble bij de eerste misstap een dolkstoot te geven in zijn brede rug.

Misschien dat Trimble zich door een ander historisch voorbeeld laat leiden. Kort na de tweedeling van Ierland besloot de legendarische unionistische leider Sir James Craig in 1922 tot onderhandelingen met Michael Collins, de toenmalige leider van de IRA. Als de IRA Noord-Ierland met rust liet, zou de katholieke minderheid beter worden behandeld. Maar een deel van Craigs aanhang vond dat “het geen pas gaf om besprekingen met moordenaars te voeren”. “Het is mijn plicht om te leiden, niet te volgen”, was zijn weerwoord.