Schouderklopjes voor kunst

Tentoonstelling: Prijs Jonge Belgische Schilderkunst 1997, in Paleis voor Schone Kunsten, Ravensteinstraat 23, Brussel, di t/m zo 10-17u. T/m 5 oktober. Catalogus 600 Bfr.

De aloude Prijs Jonge Belgische Schilderkunst is aan een nieuwe aflevering toe. Voor de eerste keer, zo melden de organisatoren, heeft de jury een internationale samenstelling: ook Chris Dercon (Museum Boijmans Van Beuningen) en de Franse Caroline David (directrice Fondation pour l'Architecture) namen de inzendingen van kandidaten door. De jury selecteerde dit jaar slechts twaalf gelukkigen in plaats van de gewoonlijke vijftien voor de tentoonstelling van laureaten in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten. Daarbij natuurlijk de drie winnaars. Ze heten Els Opsomer, Benoît Roussel en Manon de Boer.

Minder laureaten, een internationale jury: zowat elke Prijstoekenning komt weer met een paar nieuwigheden voor de dag. In het verleden werd de (in 1950 opgerichte) Prijs al tot drie gelijkwaardige prijzen uitgebreid, en werd de leeftijdsgrens verlaagd van 40 naar 35. Sinds de laatste Prijs in 1994 werd toegekend, duurt de laureatententoonstelling langer, en kent men de bekroningen pas toe nadat de kunstenaars hun werk hebben opgesteld.

Dit jaar is de keuze van de winnaars voor één keer te begrijpen, en is het algemene niveau van de laureaten zeker niet te laag, ook al hoeven we voor de ironische hondenportretten van Dominique Vranken of de vette schilderijtjes van Vincent Geyskens niet naar Brussel te gaan. Maar 'terechte' winnaars of een 'acceptabel' niveau maken de Prijs niet verdedigbaar.

Het exclusieve cachet van deze aflevering, met haar internationale juryleden en strenge selectie, is maquillage. Reanimatiepogingen als deze verhullen enkel dat zo'n competitie sowieso van zelfgenoegzaam paternalisme blijft getuigen. Bij gebrek aan een goed beleid en een degelijke infrastructuur voor de omgang met 'jonge' kunst, moet de Belgische kunstenaar het stellen met de schouderklopjes van de talloze mecenassen, eremecenassen, beschermleden, vrienden en sympathisanten van de Prijs. Slaat u de catalogus er maar op na: de lijst van de weldoeners is maar liefst drie bladzijden lang. Hier is de kunstenaar het goudhaantje waarmee het mecenaat zijn hart voor de kunst tentoonstelt, zoveel is wel duidelijk.

Maar goed, dan de tentoonstelling. Die is nogal coherent, gek genoeg misschien als je weet dat je een uittreksel ziet uit een stapel van tweehonderd dossiers. Erg veel kunst maakt gebruik van audiovisuele media, en doet dat op een erg minimale manier. Op de monitor van Reinaart Vanhoe gluur je onder half neergelaten zonneblinden naar een stuk straatbeeld. Voor het raam staan planten, daarachter loopt soms een voorbijganger, en ondertussen klinkt een zeepbel-melodie. Dit non-event is zo licht als een plastic bloemtuiltje. Vanhoe schildert ook, op doek, plankjes of grote vellen papier. Gerecycleerde gevoelens, uit de tv-kast aangewaaide woorden en beeldresten zijn in verf aangekoekt: schamel werk is dit, net niet nietszeggend en verderlicht als reclame.

Manon de Boer portretteert mensen. Op een monitor zie je drie minuten lang dezelfde vrouw (of man), de ogen lichtjes neergeslagen, nauwelijks bewegend. Hoe langer je kijkt, hoe wezenlozer ze worden.

Drie deelnemers hebben ruimtevullende installaties gemaakt, en van die drie leverde Caroline Cereghetti het overdadigste werkstuk af. Op twee rijen van vier monitoren toont ze telkens dezelfde vrouw in een witte kamer. Plots rent ze als een gekooid dier tussen de achterste hoeken van haar 'cel' om er een wit goedje op te vangen, dat ze even later zit op te eten. Ze lijkt de gevangene van haar overlevingsdrang. Wie op de stoel voor de monitor gaat zitten, voelt zich de gevangene van het beeld, hoewel dit gevoel enigszins wordt afgezwakt doordat Cereghetti hetzelfde beeldverloop in een nerveuze sampling over acht monitoren heeft uitgestrooid. Het claustrofobische idee van de vrouw in een witte cel was met een eenvoudige presentatie beter gediend.

Els Opsomer weet haar beeldende middelen beter te beheersen. Haar zeven diaprojectors staan op trapladders en werpen beelden op de vier zaalmuren. Meestal zijn het beelden van steden, van plekken waar de stad elke stad kon zijn. Dat de beelden langs vier kanten op je afkomen, versterkt het gevoel van richtingloosheid nog. Dit werk verveelt niet. Dat van Vanhoe en De Boer evenmin. Hopelijk komen we die mensen nog tegen, zij het niet als laureaat of prijsbeest.