Patiënten krijgen een menu à la carte, maar het mag niet te veel kosten

VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORTLS E. Borst-Eilers (D66) Budget: 10,8 miljard

Percentage van de totale begroting: 4,92

Ambtenaren: 4.300

De consument moet de spil worden waar het in de wereld van volksgezondheid en welzijn om draait. Of het nu de patiënt is bij de huisarts of in het verpleeghuis, de gehandicapte in het dagverblijf, de oudere in het verzorgingshuis of de chronisch zieke die thuis op hulp is aangewezen: minister Borst en staatssecretaris Terpstra (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) geven in hun begroting aan dat zorg en welzijn naar de behoefte van de afnemer moeten worden gemodelleerd.

Het is, in de woorden van de bewindsvrouwen, “niet meer de vraag of de burger in een voorziening past, maar of de instellingen de zorg leveren die de burger nodig heeft”.

Veel van het aangekondigde is hier dan ook op gebaseerd. Maar ze houden wel een slag om de arm. Ingrijpende wijzigingen vergen veel tijd, zeker in de gezondheidszorg, waar veranderingen slechts zelden door de minister simpelweg per wet kunnen worden afgedwongen. Borst in het VWS-bulletin: “In de gezondheidszorg kan het niet zonder overleg. De minister is nu eenmaal niet de baas in de gezondheidszorg. Die telt immers meerdere regisseurs. De gezondheidszorg was een eeuw geleden volledig in particuliere handen en dat is voor een groot deel nog steeds zo.” Borst en Terpstra zijn niet de eerste bewindslieden op het departement van Volksgezondheid die rekening willen houden met de consument. Maar zij maken wel als eersten de consument tot 'ijkpunt' van hun beleid, ook al is dat in de laatste maanden van hun regeerperiode.

In de geestelijke gezondheidszorg is er al lang sprake van een 'stille revolutie'. Veel verstandelijk gehandicapten wonen niet meer achter hekken in een grote inrichting, maar in kleine groepen in gewone buurten. Anderen kunnen met enige begeleiding zelfstandig wonen en voor weer anderen is psychiatrische thuiszorg inmiddels een ingeburgerd begrip. Komend jaar willen Borst en Terpstra daar verder mee gaan. De instituten in de geestelijke gezondheidszorg krijgen van hen meer vrijheid. In overleg met de cliënten- en patiëntenorganisaties mogen ze 5 procent van het budget 'vrij' gaan besteden. Voor dat geld kunnen ze nieuwe 'pakketten' voor de patiënten bedenken.

Het moet een 'menu à la carte' opleveren. Volgens de thans geldende regels krijgt een patiënt een klinische, een poliklinische of een dagbehandeling. Maar je kunt er, aldus de minister, ook “een mix” van maken. “Een patiënt moet misschien in het weekeinde worden opgenomen (...) terwijl door de week kan worden volstaan met een dagbehandeling. Je stelt uit het aanbod een voor de patiënt passend pakket samen.” Volgens de minister wordt het budget voor deze 'zorg op maat' geleidelijk aan groter.

Borst houdt daarbij vast aan twee 'harde' criteria. De initiatieven moeten van goede kwaliteit zijn. En als er iets goeds wordt verzonnen, moet het voor het hele land beschikbaar komen. Het tweede criterium is van financiële aard. “De creativiteit mag volop zijn gang gaan, als het maar niet te veel geld gaat kosten. Dat accepteert men ook. Men wil de zorg graag binnen de randen van het budget invullen zoals men het zelf wil”, aldus Borst in het VWS-bulletin.

Maar ook in het 'gewone' ziekenhuis verandert de positie van de patiënt. Borst wil dat de ziekenhuizen hun organisatie geleidelijk aan op een andere leest schoeien. Niet langer hoort enkel de (toevallige) aanwezigheid van specialismen er de organisatie te bepalen - en dus de indeling in afdelingen als interne geneeskunde en heelkunde. In de kliniek, maar vooral in de polikliniek, moeten specialisten rond de meest voorkomende ziektebeelden, zoals bijvoorbeeld diabetes, worden georganiseerd. Nieuwe medische technologie maakt volgens de minister nog een andere ontwikkeling mogelijk en wenselijk: de specialist die bijvoorbeeld sommige moeilijk lopende patiënten thuis gaat behandelen.

Nieuwe privé-klinieken, waar patiënten soms snel kunnen worden behandeld, worden verboden. Bestaande klinieken moeten zich aansluiten bij ziekenhuizen. De wet die dat mogelijk maakt, ligt al voor advies bij de Raad van State. De voordelen die privé-klinieken bieden kunnen ook in de 'gewone' ziekenhuizen worden behaald, als deze de behandeling gaan stroomlijnen. Nieuwe privé-klinieken leiden volgens de minister tot hogere kosten, minder doelmatigheid en lagere kwaliteit.

Ouderen moeten zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen, als zij dat willen. Een verzorgingshuis kan ze daarbij helpen door zorg aan huis te leveren. En als een bewoner van een verzorgingshuis in de loop van de tijd meer verpleging nodig heeft, hoeft hij niet nog eens te verhuizen. Het kabinet trekt extra geld uit om binnen het verzorgingshuis ook verpleeghuiszorg te kunnen bieden.

In de verpleeghuizen moet de privacy van de bewoners beter worden gewaarborgd. Vijf- en zespersoonskamers zullen in vier jaar tijd worden omgebouwd tot een- en tweepersoonskamers. Daarna komen de drie- en vierpersoonskamers aan de beurt. Daarover wil Terpstra afspraken maken met de verpleeghuizen. Zowel de verpleeg- als de verzorgingshuizen krijgen overigens volgend jaar extra geld, op voorwaarde dat ze het besteden aan wat heet 'meer handen aan het bed'.

De invoering, in 1995, van het persoonsgebonden budget is de ultieme uiting van een beleid waarin de consument centraal staat. Chronische patiënten en gehandicapten krijgen daarbij een op hun aandoening of handicap afgestemd bedrag. Daarmee kunnen ze dan naar eigen inzicht de hulp kopen die ze nodig hebben. Ook voor deze regeling wordt meer geld beschikbaar gesteld.

Belangenbehartiging van patiënten en consumenten in gezondheidszorg en welzijn is voor de minister “een speerpunt” in haar begroting. Ze trekt in 1998 10 miljoen extra uit voor de Stichting Patiëntenfonds, die daardoor dan beschikt over 22 miljoen gulden. Dat bedrag zou in 1999 30 miljoen gulden moeten zijn.