Paars kabinet drijft een gevaarlijke wig tussen ideeën en politieke macht

Volgens de vandaag uitgesproken Troonrede liggen de fundamenten van onze samenleving vast in onze staatsstructuur. Is dat wel zo, vraagt Jan Verhoogt zich af. Door zijn non-politieke opstelling stuurt dit kabinet aan op een breuk tussen de politieke ideeën die leven en de macht.

De Troonrede en de Miljoenennota lijken zelden zoveel goeds voor zovelen te hebben gebracht als dit jaar. Je moet wel van ver komen om tegen een kabinet dat zoiets presteert bezwaar te maken. Toch dienen we enkele verderreikende gevolgen van het huidige kabinet niet uit het oog te verliezen. Zo is het maar de vraag of als resultaat van de paarse 'feestbegroting' de tevredenheid in onze samenleving zal toenemen. We zijn de afgelopen decennia vertrouwd geraakt met het verzet van individuen en groepen die bij teruglopende welvaart vonden dat ze teveel moesten inleveren. Vergeleken daarmee kan de onvrede van hen die bij de huidige toenemende welvaart vinden dat ze te weinig krijgen nog wel eens een slag bitterder zijn.

Meer nog dan de verdeling van schaarste lijkt die van de overvloed het morele besef van burgers te kunnen ondermijnen. Des te noodzakelijker is het dat overheid en politiek, naar hun aard en vermogen, de burger bij zijn publieke verantwoordelijkheden blijven bepalen zoals de vrijwillige naleving van de wet en de deelname aan het maatschappelijke en politieke leven. En niet alleen omwille van zichzelf, maar ook omdat daarin de morele grondslag van onze rechtsstaat en democratie is gelegen.

Nu kan een regering de burger alleen met gezag bij zijn verantwoordelijkheden bepalen wanneer ze verantwoordelijk omgaat met datgene waar ze zelf bij uitstek verantwoordelijk voor is: goede politiek. Daarin ligt haar specifieke bijdrage aan de vitaliteit van onze rechtsstaat en democratie. Hoe valt vanuit deze invalshoek de balans voor het paarse kabinet uit?

De wijze waarop het paarse kabinet politiek bedrijft hangt onverbrekelijk samen met haar politieke samenstelling. Allereerst speelt hier de samenwerking van liberalisme en sociaal-democratie een rol. VVD en PvdA voelen zich zichtbaar bevrijd van de jarenlange bejegening als lood om oud ijzer vanuit de christen-democratie. Voortzetting van de huidige samenwerking lijkt dan ook hun eerste inzet in de komende verkiezingssstrijd te worden.

Over die samenwerking tussen liberalen en sociaal-democraten is tevoren lang nagedacht. Men wilde niet over één nacht ijs gaan. Maar samenwerking tussen liberalisme en sociaal-democratie is één ding, samen in een paarse coalitie zitten een ander. Het was in feite alleen D66 dat, gezien haar politieke ambities, uitsluitend van een dergelijke coalitie te winnen had. VVD en PvdA hadden daarvan behalve te winnen ook veel te verliezen. Daarbij gaat het niet om het wederzijds inleveren van wensen op het vlak van marktwerking of staatszorg. Het gaat vooral om de wijze waarop door het paarse kabinet politiek bedreven wordt en de gevolgen daarvan voor onze rechtsstaat en democratie. Het gaat, anders gezegd, om de kwaliteit van de politiek zelf.

Zouden VVD en PvdA op dit punt het paarse kabinet nog een keer voor hun rekening willen nemen? Het gevaar voor beide partijen is dat ze, in de ban van het succes van paars, de maatlat voor hun politieke zelfbeoordeling te laag leggen. Beide hebben namelijk niets minder dan hun wortels in de Europese Verlichting. En de maatstaven daarvan liggen hoger dan die van de l9de-eeuwse veranderingsbewegingen waarmee de partijen zichzelf doorgaans verbinden.

Met name in de idee van de democratische rechtsstaat, die teruggaat naar Locke en Rousseau, liggen enkele zeer actuele en verstrekkende politieke kwaliteitsnormen besloten. Ten eerste dat politiek vanuit overtuigingen dient te worden bedreven, want als je geen (politieke) overtuiging hebt hoeft die ook niet rechtsstatelijk te worden beschermd. En politiek uit overtuiging betekent hier dat men deze overtuiging publiek uitspreekt, confronteert met andere overtuigingen, zichzelf laat corrigeren en publieke verantwoording aflegt van de besluiten die men vanuit zijn politieke overtuiging neemt.

Een tweede punt is, dat men in de politiek acht dient te slaan op de morele en institutionele eenheid en identiteit van een volk. Want een volk dat geen zelf heeft kan zichzelf ook niet regeren. Liberalen en sociaal-democraten die zich door dit soort noties niet meer aangesproken voelen, lijden aan een slijtage van hun politieke ethos.

Voor dit politieke ziektebeeld heeft D66 zich bij voorbaat geïmmuniseerd. Zij verklaart ideologieën als omvattende politieke overtuigingen voor dood en introduceert een wijze van politiek bedrijven gebaseerd op het pragmatisme, een a-politieke filosofie van Amerikaanse komaf. Haar handelsmerk is een instrumentele optiek voor het definiëren en effectief oplossen van problemen waarbij vernieuwing als hoogste doel fungeert. Vernieuwing, met name reparatie van onze democratie, vormt ook de primaire bestaansgrond van D66.

Hoezeer VVD en PvdA ook mogen proberen in de komende verkiezingsstrijd de inhoud van het kabinetsbeleid naar zich toe te trekken, het laat onverlet dat paars voluit een D66 kabinet is. Het praktiseert namelijk ondubbelzinning twee basistrekken van het pragmatisme: daadkracht en het einde van de ideologie.

Nu mag daadkracht tegenover stroperig overheidsbeleid een sprong voorwaarts zijn, deze eindigt wel, via het adagium van het einde van de ideologie, in het politieke duister. Dat tekent zich dan ook af wanneer dit kabinet het ene na het andere ingrijpende plan in de Kamer presenteert terwijl de grote regeringspartijen weigeren daarop vanuit hun oorspronkeIijke politieke overtuigingen te reageren.

Paars onderscheidt zich daarin van de Nederlandse coalitietraditie. Coalities steunden in de regel op compromissen tussen partijen met uitgesproken politieke ideeën die ze doorgaans tot in het parlement bleven uitdragen. Het huidige kabinet lijkt echter het compromis zelf en daarmee zijn eigen voortbestaan tot uitgangspunt van beleid te hebben gekozen. Dat werkt verstikkend op het politieke debat. Het adagium van het einde van de ideologie fungeert in het parlement in feite als Denkverbot.

Het is opvallend dat buiten het parlement, in de media, reeds enkele jaren intensief en fundamenteel wordt gediscussieerd over ingrijpende vraagstukken aangaande de inrichting van de Nederlandse samenleving. Slaat men de kranten erop na, dan is duidelijk dat geen sprake is van een einde van de ideologie. Daarmee stuiten we op wat zich eigenlijk afspeelt onder het paarse kabinet: een gevaarlijke breuk tussen ideeën en politieke macht.

Deze breuk demonsteren met name de liberale en sociaal-democratische politici die in het parlement zichzelf de mond hebben gesnoerd en niet meer vrij en voluit vanuit hun politieke overtuiging debatteren. Ze plegen daarmee in feite verraad aan de politiek. Veelal blijken diezelfde politici buiten het parlement, in de media, de mond vol te hebben over hoe naar hun idee de Nederlandse samenleving zou moeten worden ingericht. Macht zonder ideeën en ideeën zonder macht.

Typerend was het recente debat over de 'witte illegalen'. Woordvoerders van liberale en sociaal-democratische zijde hebben de afgelopen jaren de desintegrerende gevolgen van het jarenlang gevoerde minderhedenbeleid voor de eenheid en de identiteit van onze samenleving onderkend en gepleit voor versterking van de sociale en morele cohesie als noodzakelijke grondslag voor onze rechtsstaat en democratie. Maar het debat over de kwestie Gümüs speelde zich in hoge mate af tussen een formalistisch 'regels zijn regels' en een van sentimenten doortrokken moralisme, waarbij van politieke reflecties niet veel te merken was.

De verschraling van politiek normbesef werkt door in de wijze waarop vanuit de paarse coalitie aan maatschappelijke actoren normen worden opgelegd. Zo trachten enkele regeringspartijen de dynamiek van Schiphol onder controle te krijgen door het stellen van een scherpe capaciteitsnorm, die echter na nog geen half jaar alweer moest worden herroepen. De vraag die hier ten principale speelt is niet hoe hoog of hoe laag die norm moet zijn maar of men nog wel beseft wat een norm is en hoe binnen het kader van een democratische rechtsstaat en vrije markteconomie de overheid een norm moet stellen en tot gelding brengen.

In dit verband roept ook de wijze waarop paars in de sociaal-culturele en onderwijssector aan het moderniseren en rationaliseren is geslagen, vragen op. Vooral terzake van de desbetreffende staatssecretariaten toont paars een agressieve vernieuwingsdrift. Bij alle legitieme eisen van efficiency en effectiviteit zou men zich toch moeten realiseren dat veel wereldbeschouwelijke organisaties en instituties momenteel in een fase van heroriëntatie en daarmee van onzekerheid verkeren. Maar zelfs in deze fase vormen zij, vergeleken met wat paars zelf op dit terrein te bieden heeft, nog een maatschappelijk heilzaam reservoir aan normatieve oriëntatie en sociale samenhang. In een ondoordacht vernieuwingsbeleid is men dergelijke instituties eerder kwijt dan rijk.

“De fundamenten van onze samenleving liggen vast in onze staatsstructuur, onze parlementaire democratie en het respect voor grondrechten van mensen”, aldus de Troonrede. Hoezo vast? Door zijn non-politieke wijze van politiek bedrijven brengt dit kabinet een breuk in de Nederlandse politiek teweeg tussen ideeën en macht. Dat betekent een ernstige ondermijning van de vitaliteit van onze rechtsstaat en democratie.

Hier ligt een oplopende schuldenlast van het paarse kabinet. Het wordt hoog tijd dat in de Nederlandse politiek de band tussen macht en ideeën weer wordt hersteld. Alvorens voor een tweede ronde post-modernistisch paars te kiezen zouden liberalen en sociaal-democraten zichzelf spiegelen aan het klassieke maar immer vitale ideeëngoed waaruit zij voortkomen.

De conclusie lijkt onvermijdelijk: paars is een waan van de dag.