Noren kiezen voor simpele oplossingen

Voor het eerst sinds jaren speelde Europa bij de Noorse verkiezingen alleen op de achtergrond een rol. Het was de populist Carl I. Hagen, die de afgelopen maanden de agenda heeft bepaald. En hij won.

ROTTERDAM, 16 SEPT. “Ik ga ervan uit dat alle partijen die hebben gepleit voor een andere regering nu hun verantwoordelijkheid zullen nemen”, zei de Noorse premier Thorbjn Jagland gisteren in reactie op zijn verkiezingsnederlaag. Wat zou hij op dat moment hebben gedacht? Wellicht dat ze zoveel verantwoordelijkheidsbesef toch niet zullen kunnen opbrengen en dat ze dus over enige tijd wel op hangende pootjes bij de Arbeiderspartij zullen terugkomen.

De kans is groot dat Jagland gelijk krijgt - mogelijk al binnen enkele weken of anders zo gauw het er echt om gaat spannen in het parlement. De meest waarschijnlijke rechtse coalitieregering zal bestaan uit christen-democraten, Centrum Partij en Liberalen. Samen beschikken zij over amper meer dan een kwart van de 165 parlementszetels. Nu zijn minderheidsregeringen op zichzelf in Noorwegen geen ongewoon verschijnsel. Maar het zal niet meevallen om met zo'n zwakke basis in het parlement wisselende meerderheden voor voorstellen te vinden - iets waar de Arbeiderspartij de laatste jaren een meester in is geweest. Op medewerking van de sociaal-democraten hoeft vanzelfsprekend niet te worden gerekend. En Jan Petersen, leider van de Conservatieven, heeft al bij voorbaat de oorlog verklaard aan iedere rechtse regering waarin zijn partij geen zitting heeft.

Daar komt bij dat de coalitiegenoten ook onderling nog menig robbertje te vechten hebben. De Centrum Partij, die zijn aanhang vooral vindt buiten de grote steden, wil bijvoorbeeld af van de zogeheten Europese Economische Ruimte (EER), een economisch samenwerkingsverband tussen de Europese Unie en andere Europese landen. Liberalen en christen-democraten willen daar echter niets van weten.

Het politieke systeem in Noorwegen is gebouwd op consensus. De Storting, het Noorse parlement, kan niet tussentijds worden ontbonden en dus zijn de politici voor vier jaar tot elkaar veroordeeld, net zo lang argumenterend, strijdend of konkelend tot er een meerderheid voor een besluit is gevonden. Dit heeft nooit grote problemen opgeleverd, totdat in de jaren zeventig het debat over toetreding tot de Europese Gemeenschap (en later de Europese Unie) de politieke verhoudingen ernstig ging vertroebelen. Vooral de Conservatieve Partij, die voorstander is van toetreding, heeft daar ernstige schade van ondervonden.

Maar bij deze verkiezingen speelde Europa voor het eerst sinds jaren alleen op de achtergrond een rol. Het was de populist Carl I. Hagen, leider van de extreem-rechtse Progressieve Partij, die de agenda de afgelopen maanden heeft bepaald. Hij is een man van krachtige uitspraken en simpele oplossingen voor moeilijke problemen. Wachtlijsten in ziekenhuizen wil hij oplossen door operatiecapaciteit te kopen in het buitenland. Een duurder wordende ouderenzorg in de snel vergrijzende Noorse samenleving kan worden betaald uit de olie-opbrengsten, die jaarlijks zorgen voor een begrotingsoverschot van meer dan tien miljard gulden.

Hagen heeft daarmee Jagland steeds verder in de verdediging gedrukt. De premier moest voortdurend uitleggen dat het land voorzichtig moest zijn en dat er diende te worden gespaard voor de toekomst, als de oliebronnen opdrogen. Maar de kiezers weigerden de economische weelde te rijmen met de inderdaad bestaande problemen in de gezondheidszorg, ouderenzorg en onderwijs.

Hagen wist bovendien de verdeeldheid in het rechtse kamp verder aan te wakkeren. Ook daarvan waren de Conservatieven de grootste slachtoffers. De Arbeiderspartij is de afgelopen jaren, zoals veel Europese sociaal-democratische partijen, naar het centrum opgeschoven. Rechts van het midden vonden de conservatieven Carl Hagen op hun weg.

Hagen heeft zichzelf, met ruim 15 procent van de stemmen de tweede partij in het parlement, in een uiterst comfortabele positie gemanoeuvreerd. Hij heeft gedurende de hele campagne geroepen helemaal geen zin te hebben in regeren. Waarom ook, als hij vanuit de luie parlementaire stoel voorstellen kan afwijzen of aan een meerderheid kan helpen? Bovendien hebben alle andere partijen samenwerking met hem uitgesloten.

Zo is de Noorse politiek in een patstelling beland, waar voorlopig geen ontkomen aan is. Door zijn belofte gestand te doen en op te stappen nu hij het resultaat van de vorige verkiezingen niet heeft gehaald, lijkt Jagland “politieke zelfmoord” te hebben gepleegd, zoals de Conservatieven hem verwijten. Maar ook als hij straks als redder van de natie alsnog een regering zal formeren, kan hij het signaal van de kiezer niet zomaar naast zich neerleggen. Anders zal op de tweede maandag van september in het jaar 2001, als de Noren weer naar de stembus gaan, de onregeerbaarheid van het land alleen maar zijn toegenomen.