Mildheid jegens Krenz is misplaatst

In NRC Handelsblad van 9 september betogen Hans Lensing en Thomas Mertens dat de veroordeling van Egon Krenz en anderen uit de voormalige DDR-top wegens het neerschieten van Oost-Duitse vluchtelingen bij de Berlijnse Muur en de Duits-Duitse grens een juridisch monstrum is.

Met een knipoog naar de actualiteit vergelijken Lensing en Mertens, daartoe verleid door hun hooggestemde rechtvaardigheidsgevoel, Krenz met de voormalige Zuid-Afrikaanse president F.W. de Klerk. Deze vergelijking gaat mank. Het verschil is dat De Klerk met grote gebaren als de vrijlating van Nelson Mandela en de legalisatie van het ANC eigenhandig de bijl aan de wortels van het apartheidsregime legde. Krenz en enkele andere leden van het politbureau voelden zich daarentegen pas geroepen Honecker naar huis te sturen toen de DDR al zinkende was. Niet lang daarna kwamen de nieuwe partijleiders met hun grootste politieke gebaar: de opheffing van te reisbeperkingen. Door de stormloop op de Muur die dit besluit veroorzaakte werden zij volledig verrast. Een duidelijker tegenstelling tot de bewuste stappen naar democratisering onder De Klerk is nauwelijks voorstelbaar.

Ook wanneer zij meer juridische argumenten tegen de veroordeling van Krenz cum suis aanvoeren, vergalloperen zij zich. Zo stellen zij de vraag of de vonnissen wel rekening houden 'met de omstandigheden waaronder de gewraakte schoten vielen: aan de grens tussen twee antagonistische machtsblokken?' In deze woorden klinkt een echo door van de uitspraak van de criminoloog wijlen W.H. Nagel, onder zijn pseudoniem J.B. Charles, dat de Muur door het Westen zelf was opgeworpen. Zij was immers 'een noodzakelijk antwoord' op de westerse politiek van het kunstmatig, met miljarden dollars opvijzelen van de West-Duitse economie met de bedoeling het Oosten 'uit de balans te werken'. Dat de oud-verzetsman Nagel medio jaren zestig tot een dergelijke uitspraak kwam is nog te billijken, maar dat dergelijke argumenten anno 1997 nog steeds gehanteerd worden is kwalijk.

Weliswaar is de afgrendeling van de DDR door middel van de Muur in Berlijn en de prikkeldraadversperringen langs de Duits-Duitse grens alleen te begrijpen in de context van de Koude Oorlog, de met machinepistolen bewapende grenswachten en de automatische schietinstallaties waren echter alleen 'noodzakelijk', omdat velen het niet langer uithielden in de onrechtsstaat die de DDR in vele opzichten was.

Relativerend schrijven Lensing en Mertens, 'dat DDR-Duitsers hun land wel verlaten mochten, zij moesten daar echter wel een moeilijke procedure voor volgen'. Deze uitspraak zou men destijds in de DDR - als niemand meeluisterde - het understatement van de eeuw hebben genoemd. De 'moeilijke' procedure kon jaren duren en in de tijd tussen aanvraag en ontvangst van een uitreisvergunning stonden de aanvrager en zijn familie bloot aan allerlei chicanes van staatswege. De retorische vraag van beide juristen, 'zijn opvattingen over wat rechtvaardigheid betekent niet lokaal bepaald?', is tegen deze achtergrond een gotspe. Wie het schieten bij de Muur ergens mee wil vergelijken kan beter de laatste berichten uit Tsjetsjenië ter hand nemen. Onlangs werden daar als afschrikwekkend voorbeeld enkele criminelen in het openbaar geëxecuteerd. Precies zo was elke dode aan de Muur bedoeld als afschrikking voor al diegenen in de DDR die overwogen met de voeten tegen het regime te stemmen.