Meer plussen en minder minnen

Het paarse kabinet maakt furore met het 'Poldermodel'. Terwijl de economie groeit, houden overheid, werkgevers en werknemers samen de welvaartsstaat overeind. Vijf huishoudens bespreken hun financiën.

Het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD) geeft per geval, met plussen en minnen, aan hoe het volgend jaar waarschijnlijk voor hen zal lopen.

Thea Kranen-Kalusche (53), twee zonen van 20 en 22, weduwe, mensendieck-therapeute, en Dé Reyne (50), dochter van 17 en zoon van 15, marktonderzoeker, wonen sinds vier jaar samen in Amstelveen. Per 1 januari '98 raakt Thea door de nieuwe Algemene nabestaandenwet (ANW) de nabestaandenuitkering van bijna 1.500 gulden netto per maand kwijt.

Thea: “Ik wil geen larmoyant verhaal houden, want wij hebben het goed. Maar ik gebruik de Algemene nabestaandenwet om de jongens financieel bij te springen bij de studie. (Simon studeert in Delft, Christian zit op de instrumentmakers-MTS). Ze krijgen namelijk geen studiefinanciering. Dat komt, mijn overleden man had een goede pensioenverzekering en daaruit krijgen de jongens en ik een uitkering. Dat wordt gezien als inkomen, dus krijgen ze geen studiefinanciering. Vanaf hun zestiende kreeg ik om dezelfde reden ook geen kinderbijslag meer. Maar het is toch niet redelijk dat de staat zegt, 'hebben uw kinderen een eigen inkomen, dan hoeven wij niet meer te betalen'. Als hun vader was blijven leven, hadden ze wel een beurs gehad.”

“Het gaat eigenlijk vooral om de OV-jaarkaart. Voor Simon betaal ik 1.600 gulden reiskosten per jaar, Christian moet elke dag op en neer naar Leiden. Dat kost 3.740 gulden per jaar. Plus de bezoekjes naar bedrijven, de excursies.” Christian die even binnenkomt en zijn moeder hoort praten, valt haar bij: “Een vriend van mij zit op de VU, moet iedere dag één halte met de tram, en hij krijgt wel een OV-jaarkaart. Dat is toch geldverspilling?”

“Ze vallen daardoor overal buiten”, vervolgt Thea. “Geen studentenverzekering, Simon betaalt niet het collegegeld van 2.575 gulden maar als toehoorder 3.576 gulden. Ik heb gebeld naar de pensioenverzekering: kunnen jullie niet iets verzinnen dat het geen inkomen meer heet? 'Krijgen uw kinderen daarom geen beurs? Mevrouw, daar weten wij niks van'. Gebeld naar de Tweede Kamer: 'Geen studiefinanciering? Dat kan niet: iederéén krijgt studiefinanciering'. Nou, niet dus.”

“Om het verschil op te vangen, gebruikte ik de ANW. Kijk, ik vind het op zich redelijk dat die inkomensafhankelijk wordt. Maar ik heb er wel dertig jaar voor betaald, dan denk je dat je een recht opbouwt.”

Dé: “Je krijgt toch een ongemakkelijk gevoel dat ze die omslagstelsels zomaar afschaffen. Je gaat ook vrezen voor de AOW. Ik wil nu best 11 procent AOW betalen, maar wel met het idee dat ik het later ook krijg.”

Thea: “Nogmaals, wij redden het wel, maar ik heb een vriendin die enorm in de problemen komt. Die wordt van de ene op de andere dag mét haar kinderen financieel afhankelijk van haar huidige man. Ik ben benieuwd of de Kamer er nog wat aan gaat doen, maar ik heb er niet veel vertrouwen in. Wat ik ga stemmen? PvdA. Ik ben namelijk voor een goed sociaal stelsel. Dat hebben we hier, en dat is een zegen, al breken ze wel een hoop af.”

Op 1 januari 1998 geldt voor de familie Krahnen ook de inkomens- en samenlevingstoets in de ANW. Daardoor verliest mevrouw Krahnen haar ANW-uikering. Door de stijging van haar arbeidsinkomen en dat van haar partner en de indexering van de uitkeringen van de pensioenverzekeringen van haarzelf en haar zonen daalt het netto-inkomen van het gezin met bijna 1.150 gulden, ofwel met ruim 9 procent. Voor de dochter van meneer De Reyne die volgend jaar 18 jaar wordt, verliezen zij de kinderbijslag. Daarvoor in de plaats komt de Tegemoetkoming Studiekosten van de dochter zelf. Deze is echter lager dan de kinderbijslag. Ondanks de stijging van beide bedragen betekent dat een extra inkomensverlies van 50 gulden per maand.

Door de inflatie is de familie per maand ongeveer 265 gulden extra kwijt. Het totale koopkrachtverlies komt in 1998 daarmee uit op ongeveer 11,5 procent. Voor deze tweeverdieners met ruime uitkeringen uit de pensioenverzekering is er echter wel ruimte in het budget, tenzij ze extreem hoge woonlasten hebben.