Meer plussen en minder minnen

Het paarse kabinet maakt furore met het 'Poldermodel'. Terwijl de economie groeit, houden overheid, werkgevers en werknemers samen de welvaartsstaat overeind. Vijf huishoudens bespreken hun financiën.

Het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD) geeft per geval, met plussen en minnen, aan hoe het volgend jaar waarschijnlijk voor hen zal lopen.

Fiona de Bell (28), beeldend kunstenaar, is in 1992 afgestudeerd. Sindsdien leefde ze afwisselend van een uitkering, uitzendwerk, verkoop van haar werk en soms van bijna niks. De hoogte van haar uitkering, “iets van 1300 plus”, kent ze niet precies, “want daarmee heb ik steeds gedonder gehad”.

“Bij de Sociale Dienst van Zoetermeer kenden ze het beroep kunstenaar niet. Ze wilden me een verklaring laten tekenen, waarin stond dat ik alleen maar beeldend kunstenaar was in mijn vrije tijd.” Na driekwart jaar “wekelijks bellen” kreeg ze met terugwerkende kracht de uitkering op haar rekening gestort. “Dat was zo'n smak geld dat ik hem meteen weer stop heb gezet en samen met mijn vriend op reis ben gegaan.”

“Eenmaal terug probeerden we ons werk - hij is grafisch vormgever - te combineren met allerlei baantjes. Maar je moet ook investeringen doen, materiaalkosten, een computer, reiskosten. Toen hebben we samen weer een uitkering aangevraagd, 1850 gulden. Dat was voor ons heel riant. We gaven keurig op wat we bijverdienden, maar daar raakten ze compleet van in de war. Dan kortten ze weer te veel, of je kreeg je geld te laat. Dus hebben we de uitkering weer stopgezet.”

“Het beleid bij de Sociale Diensten is voor kunstenaars veel strikter geworden. De termijnen om te laten zien of je in je onderhoud kunt voorzien, worden steeds korter, en anders moet je op andere banen solliciteren. Vroeger mocht je beroepskosten van bijverdiensten aftrekken, nu geef je bruto op wat je verdiend hebt en bepaalt de Sociale Dienst achteraf of onkosten redelijk waren. Ondertussen moet je die wel zelf een jaar voorschieten. En het verschilt per stad, dat is ook zuur. Ik heb een collega die de uitkering drie jaar mag houden, en ze wordt ook nog eens bijgeschoold in ondernemerschap.”

“Het liep best goed, ik exposeerde soms en verkocht, maar we verdienden nooit boven het niveau van 1800 gulden. Het is de sport om niet afhankelijk te zijn, maar er moet niets tegenzitten. Rekeningen van de gemeente die steeds maar stijgen... Had je net alle inkomsten en uitgaven op een rijtje, is het ineens weer chaos. Later blijkt dat je vrijstellingen of kortingen kunt krijgen, maar wát een papierwinkel. Het is veel werk om niet veel te verdienen.”

Inmiddels heeft Fiona weer een uitkering aangevraagd. “Ik doe nu wel eens iets voor een theatergezelschap, en heb eigenlijk geen tijd meer voor uitzendwerk. Ze willen meer met me, willen ook betalen, maar ze moeten zelf vechten voor geld. Ze proberen nu een Melkertbaan voor me te regelen. Ik hoop dat het lukt. Ik heb het de Sociale Dienst wel verteld, maar ik heb meer rust als ik geld krijg via zo'n Melkertbaan. Het is toch idioot dat ik zogenaamd werkloos ben, terwijl ik wel werk?”

In 1998 worden de uitkeringen volledig gekoppeld. Voor een paar in de bijstand betekent dat een maandelijkse stijging van de uitkering met ongeveer 55 gulden. Verder gaat de huursubsidie voor Fiona en haar vriend met ongeveer 15 gulden per maand omhoog. De inflatie betekent voor hen samen een kostenstijging van 50 gulden per maand.

In totaal zou hun koopkracht dus stijgen met 20 gulden per maand, wanneer zij in de bijstand blijven. Dat is dus ongeveer 1 procent.

Maar als Fiona een baan voor het minimumloon vindt, levert dat een extra inkomen op van 145 gulden per maand, een koopkrachtstijging van ruim 6 procent. Bovendien heeft ze dan een vast maandelijks inkomen.

Overigens staat er voor 1998 een wet op stapel die kunstenaars die afhankelijk zijn van de bijstand wat meer vrijheid geeft om bij te verdienen, in ruil voor een lagere basisbijdrage.

Tevens wordt in de regeling ook rekening gehouden met specifieke beroepskosten en wordt de sollicitatieplicht geschrapt.