Litouws

In zijn rubriek van 9 september betitelt Heldring het Litouws als de taal die het dichtst bij de Indogermaanse oertaal staat. Op zichzelf is het goed er nog eens aan herinnerd te worden dat het Sanskriet, Latijn en Litouws tot de conservatiefste talen van onze beschaving behoren en dat het een wonder mag heten dat het Litouws nog steeds een levende taal is.

Maar mogen we onze beschaving en taal nog steeds als Indogermaans aanduiden? De Litouwse linguien zullen het daar niet mee eens zijn. Die spreken over hun taal als een Indo-Europese taal. Men kan dit als een academische kwestie afdoen, maar dat lijkt mij in het licht van de huidige politieke en wetenschappelijke stand van zaken niet juist. De oertaal van onze beschaving wordt tegenwoordig aangeduid als PIE, of wel Proto-Indo-Europees. Daaruit hebben zich de taalfamilies ontwikkeld waarvan het Germaans er één is. De 'Indogermaanse oertaal' dienen we derhalve op te vatten als Proto-Germaans. Het is afgeleid van het Proto-Indo-Europees, maar valt er zeker niet mee samen.

Achter de terminologische kwestie gaat een vervelend ideologisch probleem schuil. Toen de Duitse wetenschap nog toonaangevend was, stuitte het gebruik van de term Indogermaans niet op problemen, temeer omdat de Angelsaksische wereld er zich bij aansloot. Na 1945 is dat drastisch veranderd. De in de Romaanse landen gebruikte term Indo-Europees werd gemeengoed. De Anglo-Amerikaanse en de Slavische wereld heeft zich daar bij aangesloten. Alleen in de Duitse en Scandinavische literatuur wordt nog hardnekkig het gebruik van de term Indogermaans gehandhaafd.

Ik ben er vurig voorstander van om onze beschaving Indo-Europees te noemen en de term Indogermaans alleen te gebruiken in de context van de specifiek Germaanse taal- en cultuurfamilie. Dat vermijdt onnodige en voor sommigen irritante en kwetsende misverstanden.