Koopkrachtplaatje, sociale lasten en belastingen

Volgend jaar zijn er op 6 mei verkiezingen voor de Tweede Kamer. Het kabinet heeft derhalve bij de begrotingsbesprekingen relatief veel tijd besteed aan het koopkrachtplaatje. Mensen stemmen met hun portemonnee.

De berekeningen zijn omstreden, want door de individualisering van de samenleving gedragen steeds minder Nederlanders zich volgens de modellen van het Centraal Planbureau. Het kabinet poogt vaak via de huursubsidie de koopkracht van de sociale minima op peil te houden, maar uit onderzoek blijkt dat dit geen effectief instrument is. Eenderde van de mensen die er recht op hebben, maakt er geen gebruik van.

Volgens de modelberekeningen heeft iedereen volgend jaar meer te besteden. Vooral de AOW'ers met een klein pensioen of zonder pensioen zien hun koopkracht als gevolg van de hogere ouderenaftrek stijgen. De sociale minima hebben één procent meer te besteden, terwijl mensen met een minimumloon er twee procent op vooruitgaan. Huishoudens met kinderen en een modaal of tweemaal modaal inkomen (bijna 100.000 gulden) hebben 1,3 procent meer te besteden.

De koopkracht heeft zich gunstiger ontwikkeld dan werd verwacht. Sinds 1995 heeft de alleenstaande AOW'er 8 procent meer te besteden gekregen. Mensen die ongeveer 100.000 gulden verdienen en kinderen hebben, zagen hun koopkracht in dezelfde periode met 1,5 procent toenemen.

Stabiele inkomensverhoudingen zijn volgens de Raad van State van “essentiële betekenis” voor het 'Nederlandse model'.