Italië raakt 'melkkoe' kwijt

ROME, 16 SEPT. Het nieuws dat Shell de resterende 50 procent van Montell heeft overgenomen van de Italiaanse Montedison-groep en daarmee deze polypropyleenfabrikant helemaal in handen krijgt, is in Italië ontvangen met een mengeling van verslagenheid en opluchting.

De verslagenheid betreft de verdere afkalving van een strategische sector. “De Italiaanse chemie wordt stukje bij beetje ontmanteld, te beginnen juist bij die onderdelen die het kostbaarst en het interessantst zijn”, schreef La Repubblica in een commentaar. De krant trok een parallel met Olivetti, dat na een jarenlange worsteling gedwongen zag zich terug te trekken uit de pc-markt. “Nadat we de wedstrijd op het gebied van de personal computers hebben verloren, beginnen we ook die op het gebied van de chemie te verliezen.”

Dat het juist Montell is, komt extra hard aan. De in maart 1995 opgerichte joint venture had zijn hoofdkwartier in Nederland, in Hoofddorp, maar was voor 50 procent in handen van Montedison. Het vaderschap van zijn hoofdproduct, polypropyleen, ligt bij een Italiaan, Giulio Natta. Die ontdekte de veel gebruikte kunststof in 1954 en kreeg daarvoor de Nobelprijs. Montedison-dochter Montecatini heeft jarenlang geprofiteerd van deze ontdekking. En ook binnen Montell nam Montecatini bijna 70 procent van de polypropyleen-productie voor haar rekening.

Maar Montedison had geld nodig. De 4,3 miljard gulden, die de Italianen krijgen voor hun 50 procent, wordt gebruikt om de financiën te saneren. Bovendien had Montedison de strijd eigenlijk al eerder opgegeven. Bij het mislukken van de joint venture Enimont heeft het bedrijf zijn belangrijkste chemische bedrijven voor veel geld verkocht aan de staatsholding Eni.

Die vertegenwoordigt nu, in de vorm van dochteronderneming Enichem, de Italiaanse chemie. Maar Enichem is een kleine speler op de wereldmarkt. Met een omzet van ongeveer 17 miljard gulden kan het Italiaanse bedrijf zich niet meten met giganten als het Duitse Bayer, Basf en Hoechst, met het Britse ICI of met de Amerikanen van Du Pont en Dow Chemical. “Wij hebben een afwijkende industriële structuur die je in geen enkel ander Europees land dat meetelt, terugvindt”, schreef het financiële dagblad Il Sole 24 Ore.

Naast teleurstelling is er in de commentaren ook een gevoel van opluchting te bespeuren. De Italiaanse chemische industrie is decennia lang omgeven door superlatieven, maar dan de verkeerde: de grootste smeergeldschandalen, de meest schaamteloze vormen van vriendjespolitiek, de meest kortzichtige beleidsbesluiten, de kolossaalste investeringsblunders.

“De chemie is de sector waarin Italië het slechtste van zichzelf heeft laten zien”, schreef La Repubblica. Iedere poging om tot een strategisch plan te komen is stukgelopen op politici en een handvol particuliere ondernemers die de chemische sector vooral als een melkkoe zagen. “Het was een ruif met geld om verkiezingsposters, een faraonische staf, minnaressen, privé-jets en villa's te betalen.”

Dieptepunt was het Enimont-schandaal, een van de grootste politieke smeergeldzaken die de afgelopen jaren aan het licht zijn gekomen. De twee zakelijke hoofdrolspelers hebben beiden zelfmoord gepleegd - sommige van de politici die geld hebben ontvangen, zijn nog actief.

Montell heeft goede perspectieven: 28 procent van de wereldmarkt voor polypropyleen, mooie winstcijfers. Toch zag Montedison zich gedwongen zijn aandeel hierin te verkopen. Italië betaalt nu de prijs voor het misbruik dat decennia lang is gemaakt van de chemische sector.