Geen grens te zien

Strabane is een provinciestadje van zo'n tienduizend zielen, 25 km ten zuiden van Londonderry. Het werkloosheidspercentage is hier het hoogst van heel Noord-Ierland: twintig procent van de bevolking zit zonder baan. Vrijwel iedereen in Strabane is katholiek.

Ik passeer voor de eerste keer de Iers-Noord-Ierse grens - het zal me nog vaker gebeuren deze weken - en ik merk er helemaal niets van. Geen uitijktorens, geen soldaten, geen slagboom, en zelfs geen bord: niks, noppo, nada. Pas in het eerstvolgende dorp wordt me duidelijk dat ik nu in de republiek Ierland ben, omdat ik mijn blikje fris met Iers geld moet betalen.

De dame achter de winkelkassa deelt me ongevraagd mee dat ze 'Britten best aardige mensen vindt, zolang ze ons maar met rust laten.' De burgeroorlog gaat hier ongemerkt voorbij, zegt ze. Alhoewel, een paar jaar geleden is de pub in het dorp verderop bijna de lucht in gegaan. De politie was er net op tijd bij om de bom te ontmantelen. Als ik er een uur later langs loop, zie ik hoe de pub heet: 'Hole in the Wall'.

Om in Strabane te komen moet ik opnieuw de grens over en die is hier wel degelijk zichtbaar. Twee uitkijkposten torenen boven het landschap uit. Ze zijn omgeven door een taps toelopend rasterwerk van gaas en zien er vanuit de verte uit als ruimteschepen van een verre planeet. Iedereen die hier de grens passeert wordt door camera's (uitgerust met ruitenwissers) geregistreerd.

Strabane zelf is een stadje van duizend in een dozijn. Het opvallendst is het grote aantal pubs. Hier en daar staan goepjes mannen voor de deur van een café. Ook al is het nog vroeg in de morgen, toch glijden de eerste pints moeiteloos naar binnen. Op borden lees ik dat er op straat geen alcohol mag worden genuttigd, maar de politie laat zich wijselijk niet zien. Het enige uniform op straat wordt gedragen door een vrouw die parkeergelden controleert.

Op mijn vraag aan het VVV-meisje waar het stadhuis is antwoordt ze pardoes dat er geen stadhuis meer is omdat het twintig jaar geleden is opgeblazen door de IRA.

Dat is met een groot deel van het centrum van Strabane gebeurd, vertelt Liam Morrison, gemeentesecretaris, me even later. Morrison, een vijftiger, keurig in het pak achter een computerloos bureau, zetelt in het 'noodstadhuis' dat voor de zekerheid ook maar is omgeven door beton- en hekwerk. Curieus genoeg is in de fleurige brochure die door de gemeente wordt uitgegeven in een poging bedrijven naar het stadje te lokken, van al die hekken rond het stadhuis niets te zien.

Ik vraag Morrison hoe de burgeroorlog, hier eufemistisch door iedereen aangeduid met the troubles, het dagelijkse leven in Strabane beïnvloedt. “Heeft u dan tot nu toe iets gemerkt van the troubles?” speelt hij de bal keurig terug. Behalve de leuzen op de muur en de gebarricadeerde politieposten niet veel, moet ik toegeven.

De gemeentesecretaris geeft de media er van langs die incidenten opblazen tot groot nieuws waardoor Noord-Ierland zo'n slecht imago heeft. “Daarom gaat het hier economisch nu zo slecht, is er zoveel werkloosheid en komen er maar zo weinig toeristen, terwijl het landschap zo wonderschoon is.”

Toch wil Morrison wel iets zeggen over de burgeroorlog, die nu wat is weggezakt, maar met de protestantse marsen voor de deur elk moment weer kan oplaaien. Zelf is hij katholiek, maar welk geloof iemand aanhangt is niet de eerste vraag die hij een ander zal stellen. Later hoor ik dat het te zien is aan de naam: een Schotse of Engelse naam duidt op een protestantse achtergrond. Volgens de gemeentesecretaris is het conflict tussen beide bevolkingsgroepen niet alleen een politiek of sociaal conflict, maar ook een botsing van culturen. “Wij hebben een eigen identiteit. Denk aan de Ierse muziek, denk aan de Ierse literatuur. De protestanten ontbreekt het daaraan. Krampachtig klampen zij zich vast aan de Britse cultuur. Dat is hun tragiek.”