Frankrijk, Italië en België ontevreden over 'Amsterdam'

BRUSSEL, 16 SEPT. Frankrijk, Italië en België houden vol dat institutionele veranderingen nodig zijn voordat de Europese Unie uitbreidt naar Midden- en Oosteuropa. Zij hebben daarover een verklaring opgesteld die wordt toegevoegd aan het Verdrag van Amsterdam, dat op 2 oktober wordt ondertekend.

De drie schrijven dat het Verdrag van Amsterdam “niet voldoet aan de noodzaak, bevestigd op de Europese Raad van Madrid [eind 1995], van substantiële vooruitgang op weg naar versterking van de instellingen”. Ze vinden dat hervorming van de Commissie, herweging van stemmen in de raad van ministers en uitbreiding van meerderheidsstemming onontbeerlijk zijn voor toetreding van nieuwe lidstaten.

De drie landen zetten hiermee het gevecht voort dat op de Europese top in juni in Amsterdam in hun nadeel uitviel. Vooral Duitsland verzette zich tegen meer besluitvorming bij meerderheid. Evenmin werd overeenstemming bereikt over de stemmenweging in de raad van ministers. België kondigde onmiddellijk aan het er niet bij te laten zitten.

Gisteren riep de Belgische minister van Buitenlandse Zaken, Derycke, “blij met twee groten” aan zijn zijde, zijn overige collega's op de verklaring te ondertekenen. Nederland sluit zich er niet bij aan, omdat in het verdrag volgens Den Haag al voldoende is geregeld.

De verklaring betekent een probleem te meer van de EU op weg naar de uitbreiding. Het debat dat de EU-ministers van Buitenlandse Zaken hierover gisteren in Brussel voerden, werd overschaduwd door het gevecht wie voor de uitbreiding moet betalen. Nederland en Duitsland herhaalden hun klacht dat zij de grootste nettobetalers zijn: Duitsland in absolute zin, Nederland per hoofd van de bevolking.

In minder felle bewoording dan minister Zalm (Financiën) zich afgelopen weekeinde uitliet, verklaarde gisteren minister Van Mierlo (Buitenlandse Zaken) dat Nederland zich zal verzetten tegen de voorstellen van de Commissie voor de toekomstige financiering van de EU. De cijfers die Nederland hanteert om zijn positie te ondersteunen, maken weinig indruk.

“Ik heb vanmorgen wel 25 grafieken gezien over wie netto-betaler is”, zei minister Derycke. “Het versterkt mijn wantrouwen.” België werpt zich in het debat op als het geweten van Europa. Derycke: “Kunnen we het niet beter hebben over de inhoud dan over geld?”

Ook over de kandidaten voor uitbreiding bestaat binnen de EU een meningsverschil. In december moeten de lidstaten besluiten met welke van de tien Midden- en Oosteuropese kandidaten zij de onderhandelingen openen. De Commissie stelt voor te beginnen met Polen, Tsjechië, Hongarije, Slovenië en Estland.

Een aantal landen, Zweden voorop, vindt dat met alle kandidaten tegelijk onderhandeld moet worden. “Het is riskant de landen in verschillende categorieën te verdelen voordat de onderhandelingen zijn beginnen”, aldus gisteren de Zweedse minister Hjelm-Wallen. Volgens minister Van Mierlo is differentiatie “onvermijdelijk”.

In een poging alle lidstaten op een lijn te brengen met het Commissie-voorstel, zei de Luxemburgse minister Poos dat niet is uitgesloten dat kandidaten die volgend jaar niet worden uitgenodigd voor onderhandelingen, toch eerder toetreden dan landen die wel een invitatie ontvangen.