Akte van Verlating

De waarderingscijfers die de Engelsen de afgelopen maanden aan hun koninklijke familie hebben toebedeeld, zijn sinds de begrafenis van prinses Diana zo drastisch gedaald, dat Elizabeth II en haar oudste zoon, de prins van Wales, zich niet lang meer op straat kunnen vertonen zonder de kans te lopen door het publiek te worden uitgefloten - een antipathiebetuiging waaraan het Engelse volk zich sinds de dagen van George III niet meer te buiten is gegaan.

De jongste opiniepeiling van het bureau ICM, dat in opdracht van het zondagsblad The Observer doorlopend onderzoek doet, registreerde het afgelopen weekeinde een nieuw, welhaast absoluut dieptepunt: Elizabeth krijgt nog maar een waardering van 10 procent van de Britten en haar oudste zoon niet meer dan 5 procent. Dat zijn cijfers die in de 'ratings' van de BBC doorgaans gereserveerd zijn voor geflopte televisieprogramma's. In 1981 (het trouwjaar van de kroonprins) behaalde de kroonprins nog een waardering van 58 procent en zijn moeder van 71 procent.

Vergeleken met de stabiele opiniepeilingen uit het begin van de jaren tachtig duiden de jongste ICM-cijfers op een onmiskenbare omwenteling in de publieke opinie, die de vorm van een stille revolte heeft aangenomen. Uit die massale val van hun beursnotering dringt zich de conclusie op dat de Windsors onheilspellende tijden tegemoet gaan die nog erger zullen zijn dan Elizabeths annus horribilis (1992).

De monarchie (de staatsvorm) staat daarmee nog niet op instorten - uit het ICM-onderzoek blijkt slechts geringe animo voor de republiek (7 procent) - maar de koninklijke familie (het verheven aangezicht van de monarchie) wel; zij is in elk geval de steun van de massa kwijt. Van krimpende aanhang is in wezen al geen sprake meer, veeleer van een en bloc gedeserteerde aanhang, die de kroonprins zonder plichtplegingen heeft afgeschreven en meteen naar de volgende generatie is overgelopen. Het wachten is slechts op het petitionnement dat die gemoedsverandering van het Britse volk zal beslechten: een paar miljoen handtekeningen zijn gauw verzameld, waarna de Akte van Verlating voor St. James' Palace kan worden voorgelezen.

Hoewel de wederwaardigheden van andere koninklijke families de Nederlandse regering niet bezighouden, ligt het in de rede dat de lotgevallen van de Britse monarchie het Nederlandse Koninklijk Huis niet onberoerd laten. Doordat de nationale regeringen zich niet met de contacten tussen de regerende Europese vorstenhuizen bezighouden is daarover niet veel bekend, maar zoveel staat wel vast: koningin Beatrix heeft in de loop der jaren meer dan eens haar 'misgivings' over het vaak onkoninklijke rumoer rondom Buckingham Palace kenbaar gemaakt. Vooral het tumultueuze nieuws uit de koninklijke slaapkamers van de omliggende paleizen heeft haar grote zorgen gebaard. Volgens welingelichte zegslieden (voor alle duidelijkheid: hogere bronnen dan de RVD) heeft Beatrix onder meer naar aanleiding van de in het openbaar uitgevochten huwelijkscrisis van Charles en Diana in 1992 krachtig gestelde waarschuwingen naar de Britse koninklijke familie laten uitgaan.

Gegeven de nauwe betrekkingen tussen het Nederlandse en het Britse vorstenhuis is dat niet verwonderlijk. Koningin Beatrix speelt een vooraanstaande rol in de 'federatie' van koninklijke dynastieën (de vakorganisatie van Europese vorstenhuizen) en het is logisch dat zij in dat verband haar stem verheft tegen rumoerige 'bloedverwanten' die de monarchie in het algemeen en de Windsor-dynastie in het bijzonder in opspraak brengen. In het proces van voortgaande Europese integratie kan de barometer op Paleis Noordeinde en Huis ten Bosch niet langer ongevoelig zijn voor het stormweer dat zich boven Buckingham Palace ontlaadt. Het vloeit uit de aard van de zaak voort dat de Nederlandse tak van de Europese royalty de stormbal hijst als de Britse de toestand niet meer meester is. Het Nederlandse Koninklijk Huis mag intussen de handen dichtknijpen dat de publiciteitsmedia in Nederland nooit veel belangstelling hebben gehad voor de staatsrechtelijke praktijk van het koningschap. Hoogst relevante wetgeving als de Wet financieel statuut voor het Koninklijk Huis en de wettelijke regeling van de officiële leden van het Koninklijk Huis zijn in de Nederlandse media in het algemeen behandeld als 'klein nieuws'. Het financieel statuut, dat de wettelijke basis vormt voor de (geïndexeerde) financiering van het koningschap, is aan het begin van de jaren zeventig voor overwegend lege Kamerbanken en tijdens het middagdutje van de parlementaire pers tot stand gekomen. Met de latere Wet lidmaatschap Koninklijk Huis was het niet veel beter gesteld. Ongehinderd door een lastige oppositie of hinderlijk kritische media kon de regering die wetten gemakkelijk door het parlement loodsen.

De regering mocht zich met dat onbestreden succes uiteraard gelukkig prijzen: de Kamers hielden zich koest als de uitgaven van het koningschap aan de orde waren, omdat de traditie voor 'delicate wetgeving' dat zo wilde en de media hielden zich koest omdat ze de materie te ingewikkeld of te saai vonden.

De Britse regering is dat geluk nooit beschoren geweest. Telkens wanneer zij een wetsvoorstel voor een verhoging voor het officiële inkomen van de koningin aanhangig maakte, lokte zij daarmee een furieus politiek debat en een furieuze mediapolemiek uit. Dat zal ook het lot worden van de officieus aangekondigde 'modernisering' van de Civil List, de uitgaven voor de hofhouding uit de staatskas. In Engeland wordt dat bestanddeel van het staatsrecht als Groot Nieuws beschouwd. Als dat in het Nederland van de jaren zeventig ook het geval was geweest, zou het Koninklijk Huis voor de Nederlandse regering een minder rustig bezit zijn geweest.