Vrede en extra groei als compensatie

ROTTERDAM, 15 SEPT. “Ach weet u, als je ergens beter van wordt voel je niet zo direct de aandrang om dat onmiddellijk in cijfers uit te drukken.” Aan het eind van de jaren zeventig reageerde een medewerker van het ministerie van Financiën in Den Haag nog laconiek op de vraag van een Britse onderzoeker hoeveel Nederland van het budget van de Europese Gemeenschappen profiteerde.

Inmiddels is de sfeer grimmiger geworden, want Nederland draagt - net als Duitsland - meer aan 'Brussel' bij dan het ontvangt van de EU in de vorm van subsidies en betalingen. Volgens statistieken van de Europese Rekenkamer stopte Nederland in 1995 zelfs vier miljard gulden meer in 'Brussel' dan het terugkreeg. Verwacht mag worden, aldus het ministerie van Financiën in een notitie aan de Tweede Kamer, dat dat bedrag in 1999 zal oplopen tot ongeveer zes miljard gulden. De afdracht per hoofd van de bevolking is in Nederland maar liefst veertig procent hoger dan het gemiddelde van de hele EU. “Het is de hoogste tijd om samen met Duitsland flink in Brussel aan de bel te trekken”, aldus Hans Hoogervorst, de financieel specialist van de VVD die in de Tweede Kamer al langere tijd kritiek levert op de Nederlandse betalingspositie.

Prof. Jacob Kol van het Rotterdamse Erasmus Centre for Economic Integration Studies vindt het een schandelijke zaak om de waarde van het EU-lidmaatschap voor een land af te meten aan zijn nettobetalingspositie. Economische 'benefits' zijn niet alles. “Het vermijden van oorlog is al heel wat. Daar zou ik gewoon mee beginnen ook al is iedereen dat weer vergeten.” Bovendien, aldus Kol, zijn de cijfers die in de discussie over de nettobijdrage worden gebruikt, niet geschoond. En minister Zalm weet dat volgens hem ook. Een oorzaak van deze vertekening zijn de Europese uitgaven op beleidsterreinen als ontwikkelingssamenwerking of wetenschappelijk onderzoek. Als de EU niet bestond zou Nederland een deel van die uitgaven zelf moeten doen, zegt de hoogleraar.

Veel erger dan de vertekening van de cijfers, aldus Kol, is dat de discussie over de Nederlandse bijdrage aan 'Brussel' een onjuist beeld geeft van het belang van de Europese integratie voor de lidstaten van de EU. Zo heeft Nederland, aldus de hoogleraar, alle baat bij een open Europa. Alleen al het 1992-programma levert een eenmalige bijdrage van drie procent aan het bruto nationaal produkt, aldus de hoogleraar. Als het EU-lidmaatschap jaarlijks slechts een half procent extra groei in Nederland zou opleveren (“en het is veel meer”) dan zit je al op 3 miljard gulden, onderstreept hij. Dan zit je volgens de hoogleraar toch al vrij snel aan de vier miljard gulden die Nederland in 1995 netto aan 'Brussel' zou hebben betaald.

Kol vindt dat je bij een gemeenschappelijk Europees beleid ook moet accepteren dat daar “poen” voor nodig is. In de EU wordt de grens van 1,27 procent van het BNP aangehouden als maximum voor de Europese begroting. Kol vindt dat eigenlijk helemaal niet zo veel. Hij maakt een vergelijking met de Verenigde Staten: “Het is zeker en vast zo dat de Europese Commissie veel minder te makken heeft dan de regionale of federale overheden.”

Kol ziet weinig heil in Duitse en Nederlandse plannen om een 'nettobegrenzer' op de bijdragen van de EU-lidstaten te zetten. Volgens Kol werkt het zo bínnen de lidstaten ook niet: Nederlandse belastingbetalers vragen zich niet continu af of ze wel net zo veel terugkrijgen van de regering als dat ze aan belastingen betalen.