Moderne serieuze muziek: een probleem dat niet bestaat?

De 'moderne muziek' is een probleem: het werk van eigentijdse componisten wordt door de meeste muziekliefhebbers niet met interesse beluisterd. Bij andere kunstvormen heeft het publiek wel belangstelling voor het eigentijdse. De overheid dwingt de orkesten nu meer Nederlandse eigentijdse muziek te spelen. Lost dat het probleem op?

Toekomstmuziek - discussie over het Nederlandse muziekbedrijf met Martijn Sanders, Lucas Vis en Jan van Vlijmen o.l.v. Roland de Beer: 18/9 20u30 De Unie Rotterdam.

AMSTERDAM, 15 SEPT. Zó groot is bij musici en publiek het gebrek aan belangstelling voor Nederlandse muziek, dat staatssecretaris Nuis (OCW) met instemming van de Tweede Kamer de orkesten heeft verplicht tenminste zeven procent van de tijd dat ze op het podium zitten te besteden aan Nederlandse muziek. De orkesten hebben zich inmiddels morrend neergelegd bij deze sterk omstreden maatregel. Volgende maand komen zij met een plan om meer Nederlandse muziek te spelen.

Het probleem is vooral de geringe waardering voor eigentijdse muziek, Nederlands of buitenlands. De meeste muziekliefhebbers hebben weinig of geen belangstelling voor de gecomponeerde muziek van de laatste vijftig jaar. Zij horen het liefst muziek van Händel tot en met Mahler, en slechts een enkel stuk uit de vroege twintigste eeuw van Strawinsky en Ravel.

De meeste stukken van Nederlandse componisten krijgen één enkele uitvoering. Slechts enkele orkesten - het Nederlands Philharmonisch Orkest en het Noordhollands Philharmonisch Orkest hebben een duidelijk beleid op dit gebied. De ensembles doen veel aan hedendaagse muziek, maar bereiken een beperkt publiek. Daaraan wordt nu actief wat gedaan. Voor de serie 'Tijdgenoten' van het Asko Ensemble en het Schönberg Ensemble, die deze week begint in de Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw, zijn vijfhonderd abonnementen verkocht. Vooraf zijn er 'Voorproefconcerten', waarop scholieren, maar ook andere belangstellenden, in aanwezigheid van een componist een vooruitblik krijgen op het concert, gepresenteerd door Renee Jonker.

In andere sectoren van kunst - film, literatuur, theater en beeldende kunst -lijkt het grote publiek een veel grotere belangstelling te hebben voor het werk van eigentijdse kunstenaars. Als de situatie in de literatuur dezelfde zou zijn als in de muziek, zouden uitgevers zich voor 95 procent bezighouden met het heruitbrengen van boeken van Vondel tot en met de Tachtigers. Couperus zou een nog steeds omstreden 20ste eeuwse modernist zijn en het succes van de dichteres Neeltje Maria Min, alweer enkele decennia geleden, een nog elke dag besproken uniek fenomeen.

Uitgever Mai Spijkers (Prometheus, Bert Bakker): “In de boekenwereld ligt het precies andersom. Wij hebben in Nederland een probleem met het aan de man brengen van klassieke boeken: Vondel en P.C. Hooft, Tollens, Potgieter, de Tachtigers en Gorter. Internationaal ligt het anders: in Duitsland en Frankrijk kun je de klassieke schrijvers, Schiller en Goethe, Corneille en Racine, wel in de boekwinkel vinden. Wij zijn nu bezig om Hadewych, Brederode, Bilderdijk en Van Ostaijen weer uit te geven.”

“Er is de afgelopen eeuwen blijkbaar veel muziek met eeuwigheidswaarde gemaakt en sinds Schönberg is een breuk ontstaan. Als de 'Nouveau roman', die in de jaren zestig slechts door een heel beperkt publiek was te begrijpen, had gewonnen, zouden de lezers misschien zijn teruggegaan naar de klassieke literatuur.”

Spijkers ziet een principieel verschil tussen de gesubsidieerde orkestcultuur en de naar economische maatstaven werkende boekenwereld. “Al krijgt een aantal schrijvers wel individuele inkomenssubsidies, de uitgeverij werkt commercieel. Gesubsidieerde schrijvers moeten ook eerst hebben gepubliceerd, dus een begin van succes hebben gehad bij een uitgever. Dat is een ondernemer, die zoekt naar boeken en naar een publiek daarvoor.”

Volgens Spijkers houdt de commercie in de uitgeverij de serieuze kunst niet tegen. “Zo'n dwangmaatregel van Nuis is in de literatuur ondenkbaar. Ik wil niet dat de overheid vertelt wat ik moet uitgeven. Je zou misschien kunnen zeggen dat de componisten toch maar muziek moeten maken die mensen wèl mooi vinden. Maar aan de andere kant, de schilderkunst van de impressionisten, de kubisten of de Bergense School werd vroeger niet door een groot publiek gewaardeerd. Ook de literatuur verandert, dus ben je als uitgever gedwongen telkens te vernieuwen.”

Theaterregisseur Frans Strijards, leider van Art & Pro, is positief over eigentijdse muziek en nogal depressief over wat hij de afgelopen dagen heeft gezien op het Amsterdamse Theater Festival. “Veel moderne muziek is heel goed gemaakt en veel beter van kwaliteit dan het werk van allerlei dilettantistische toneelschrijvers. Bij de gemiddelde Nederlandse boekenschrijver is het niet beter.”

Strijards bewondert onder de Nederlandse toneelschrijvers Heijermans en Judith Herzberg, verder vindt hij het belang van de eigentijdse toneelschrijvers gering. Strijards: “Ik zie het probleem in de moderne muziek helemaal niet. Ook de meeste toneelstukken worden één keer uitgevoerd. Die dwang van Nuis is lachwekkend. Het komt zo vaak voor dat er weinig publiek komt voor hedendaagse kunst. In het Van Abbemuseum in Eindhoven was ik eens de enige bezoeker, de suppoost liep met mij van zaal naar zaal. Ook in het theater is de belangstelling voor het verleden vaak groter dan voor het heden. Als ik Tsjechov doe of Ibsen, komt er meer publiek dan als ik Strijards doe.”

Reinbert de Leeuw, voormalig voorzitter van het Genootschap van Nederlandse componisten en onder andere als dirigent van het Schönberg Ensemble jarenlang een propagandist voor de muziek van deze eeuw, ziet niets in de zeven-procentmaatregel van Nuis. “Als het niet met overtuiging gebeurt, moet je het niet forceren. De orkesten hebben angst voor hun voortbestaan omdat ze steeds meer voor hun eigen inkomsten zorgen. De commercie drukt, de productiedwang is gigantisch. Toen Le sacre du printemps in 1913 voor het eerst werd gespeeld, had Monteux tientallen repetities. Nu moet het lukken in een paar repetities. In Amerika heb je nu de 'nieuwe symfonici', die passen in het productiesysteem en voldoen aan het verwachtingspatroon van het publiek.”

De Leeuw heeft begrip voor dat verlangen naar het 'feest der herkenning'. “Ik kom ook niet uit dat dilemma van 'bekend-onbekend'. Als uitvoerders zijn we er niet alleen voor de componisten, maar ook voor het publiek. Wij moeten vechten om daarmee te communiceren en keuzes maken. Ik heb geen overzicht meer van wat er wordt gecomponeerd. In Nederland zijn er 450 componisten.

“Iedere componist draagt de muziekgeschiedenis op zijn nek, hij moet op tegen die onmetelijke concurrentie. Sommige muziek, ook klassieke, zal altijd voor een klein publiek zijn - Die Kunst der Fuge en de Matthäus Passion van Bach zijn beide weergaloos. Maar voor Die Kunst der Fuge moet je meer moeite doen. Ook in de literatuur zijn er toppen, zoals Hölderlin, die niet populair zijn.

“Na het uiteenvallen van de tonaliteit is geen direct herkenbare taal ontstaan. De eigentijdse muzikale taal moet je je aanleren. En als je Kurtág begrijpt, betekent dat niet dat je Elliott Carter kunt begrijpen of andere componisten. Veel seriële muziek heeft een hoog intellectueel gehalte, wat een zekere ontoegankelijkheid met zich meebrengt. Dat odium straalt helaas af op alle moderne muziek.”

Wim Crouwel, ontwerper en ex-directeur van het Rotterdamse museum Boymans- Van Beuningen, ziet een enorme jeugdcultuur in de beeldende kunst, een kruisbestuiving tussen popmuziek en de beeldende kunst, vooral op het gebied van de 'nieuwe media'. Maar dat geldt niet voor de 'serieuze gecomponeerde muziek', die in de publieke belangstelling volgens hem een even marginale positie heeft als de hedendaagse videokunst. “Ik word erg ongeduldig van video's, al zit er af en toe iets geweldigs tussen.”

Volgens Crouwel is de moderne beeldende kunst voor het publiek 'zappend' te consumeren. De museumbezoeker loopt door de zalen, ziet een schilderij in één oogopslag en als het niet bevalt, loopt hij er langs. Voor serieuze muziek moet de luisteraar langere tijd gaan zitten in een rij, waar hij niet uit kan. In het museum is er altijd een restaurant, zodat museumbezoek nooit een totale teleurstelling is.

Crouwel: “Uiteindelijk is er ook maar een heel kleine groep die de moderne beeldende kunst waardeert. Dat publiek lijkt veel groter dan het is, omdat musea heel veel verschillende dingen aanbieden. Als we in Boymans alleen een 'moeilijke' tentoonstelling hadden, kwamen er heel weinig mensen. Je moest altijd zorgen dat je ook wat anders had, om niet een absoluut dieptepunt in je bezoek te krijgen. Wat dat betreft zijn er geen grote verschillen met de moderne muziek. Geavanceerde galeries trekken ook alleen maar publiek op de opening, familie, kennissen, collega's en de 'kunstwereld'. Doordeweeks komt er vrijwel niemand.”

Crouwel ziet dat niet als het bewijs dat er van de hedendaagse kunst weinig deugt. “Net als in de muziek is er in de beeldende kunst een flink percentage kunst dat op het moment van ontstaan niet door het publiek wordt begrepen. Karel Appel is daarvan het schoolvoorbeeld, nu is hij geheel geaccepteerd. Aan dat soort mechanismen is niet veel te doen, behalve dan door veel meer kunstzinnige educatie in het onderwijs.”

Theo Verbey (38), succesvol componist van zo'n twintig muziekstukken, ziet eigenlijk helemaal geen 'probleem' met Nederlandse muziek of moderne muziek in het algemeen. “Er zijn cd's, dus een gedeelte van het repertoire is altijd te horen. Wat is de norm? Er zijn geen criteria, dus je kunt nooit zeggen wat 'te weinig' is. In sommige landen wordt er meer gespeeld, in andere landen is het helemaal niet mogelijk als componist te leven of bestaat het beroep helemaal niet. Als die maatregel van Nuis werkt is het misschien een goed idee. Maar ik zou die niet prettig vinden als ik artistiek leider van een orkest was.

“Tachtig procent van het muziekaanbod is popmuziek en tien procent jazz. De andere tien procent is klassieke muziek, inclusief wereldmuziek en andere vormen. De 'moderne gecomponeerde muziek' is 0.1 procent, denk ik. Mensen groeien op in een bepaalde stijl en blijven daarbij. In de regel is dat de muziek van de laatste dertig, veertig jaar. Over tien jaar heb je ministers en staatssecretarissen, die uitsluitend met popmuziek zijn opgegroeid.

“Popmuziek wordt niet door iedereen serieus genomen, maar dat is niet terecht. In de popmuziek wordt buitengewoon hard en serieus gewerkt. De omzet van klassieke muziek met topdirigenten en topsolisten is een zwakke afspiegeling van wat in de popmuziek gebruikelijk is. De belangstelling voor klassieke muziek is niet meegegroeid met de omvang van de bevolking. Orkesten, vooral in de provincie, hebben steeds meer moeite om hun rol en hun bestaan te legitimeren en de zaal vol te krijgen. Het eerste wat een popgroep doet is een plaat maken. Het concert, waarbij het publiek komt voor de sfeer, voor elkaar en voor de drugs, is niet het uitgangspunt, dat is de opname. De meeste orkesten hebben geen platencontract.

“Als het slecht gaat met de moderne muziek, bestaat de neiging de schuld bij de slachtoffers te leggen. De componist heeft het gedaan. Hoe moet hij zich verdedigen? Hij schrijft de stukken die hij zelf mooi vindt. Hoewel de eigentijdse muziek van nu veel minder moeilijk is dan dertig jaar geleden, drukken veel collega's zich nog erg ingewikkeld uit. Maar dat zal op den duur wel veranderen. Het is de vraag of alle gecomponeerde muziek repertoire moet houden. In de popmuziek, voor mij het criterium, bestaat zoiets niet. Covers worden niet allemaal even serieus genomen, alleen het origineel van Yesterday is toch het echte Yesterday.

“Ik heb geen behoefte aan de bescherming van politici. Als ik iets schrijf, weet ik dat het wordt uitgevoerd - het zijn opdrachten. Eén goede uitvoering is mij genoeg en die wordt meestal opgenomen. Sommige van mijn stukken zijn aan hun twintigste uitvoering toe. Ik koop mijn onafhankelijkheid, ik heb een halve baan als conservatoriumdocent en ik voel mij niet miskend. Critici schrijven meteen de volgende dag hun mening op over een nieuw, substantieel muziekstuk. Toen Mao werd gevraagd wat hij vond van de gevolgen van de Franse revolutie, zei hij: 'Het is nog te vroeg om daarover te oordelen.'

“Componeren is voor mij een rijke en veelzijdige arbeid. Alle negatieve kanten van het vak probeer ik zoveel mogelijk voor lief te nemen.”

Of te ontkennen?

“Gedeeltelijk, ja.”