Keurig gebrei

Literatuur 97-4. Uitg. Amsterdam University Press. Losse nummers ƒ 14,-. Abonnementen ƒ 74,50

Sommige tijdschriften bezorgen elke keer weer een gemengd gevoel van verheugenis en teleurstelling tegelijk. Literatuur is er zo een. De verheugenis wordt veroorzaakt door de onderwerpkeuze en de, neerlandistische, kennis die erin wordt opgeslagen. De teleurstelling volgt doordat vaak weer blijkt dat academici het patent hebben op moeizaam geschrijf.

In het zomernummer van het blad is het alweer niet anders. De inhoudsopgave is veelbelovend: 'Structuur en interpretatie van Gerrit Achterbergs 'Ode aan Den Haag' ', 'De tweede wereldoorlog in de poëzie van Ida Gerhardt', een interview met Prometheus-directeur Mai Spijkers - dat zijn zo al drie stukken die men wel zou wilen lezen en wie eenmaal op gang is, neemt de rest ook graag mee, zo gaat dat. Bovendien heeft Literatuur een paar prettige korte rubrieken die de lezer opwarmen, zoals die van Ton Anbeek 'De recensent, ook der recensenten'. Elk nummer opnieuw schrijft hij over de ontvangst van een roman in de literaire kritiek, waarbij hij zijn eigen opvattingen en meningen niet geheim houdt. Eens of niet-eens met zijn analyses (het laatste in mijn geval vaker dan het eerste), het is hoe dan ook een rubriek die de lezer prikkelt, tot tegenspraak, tot instemming, tot leeslust. Deze keer kan men dunkt me niet anders dan met instemming lezen hoe hij uit de reacties van de recensenten op Voskuils derde deel dat ene raadsel naar voren haalt: hoe het toch mogelijk is dat een zo saai leven als dat van Maarten Koning dat zo on-beeldend is opgeschreven zo verslavend en meeslepend werkt. Hoe dat kan weet Anbeek ook niet natuurlijk. Verder merkt hij op, maar dat lijkt me licht overdreven, dat er in Nederlandse romans bijna nooit gewerkt wordt, behalve bij Voskuil. Anbeek is geen Krol-liefhebber dat is wel duidelijk. Als er ergens gewerkt wordt, op kantoren, dan is het wel daar. En al die leraren in de literatuur! Maar hij heeft toch niet helemaal ongelijk, hoofdpersonen in Nederlandse romans hebben vaak weinig te doen.

Enfin, zo heeft men zich het blad ingelezen en dan op naar Ida Gerhardt en de Tweede Wereldoorlog. Rita Bonte betoogt (ja, helaas, dat is het woord ervoor) dat in de gedichten van Ida Gerhardt over de Tweede Wereldoorlog aanvankelijk vooral uiting wordt gegeven “aan gevoelens van lotsverbondenheid, slachtofferschap”; in de eerste jaren na de oorlog wordt de oorlog gebruikt voor kritiek op het naoorlogse Nederland; in de jaren zestig is de oorlog aanleiding tot zelfkritiek (en niet-malse zelfkritiek ook, ze heeft de ariër-verklaring getekend en beschuldigt zichzelf nu van medeplichtigheid aan de jodenmoord: “Opdat zíj zouden gaan, schroefde ik de schrijfstift open,/ de letters zettend die nooit uit te wissen zijn.”) Uiteindelijk komt ze tot herdenken.

Bonte maakt alles wat ze zegt aannemelijk, ze interpreteert zorgvuldig en is niet te lui om wat op te zoeken en de gedichten een royalere achtergrond te geven. Toch heeft het geheel iets braafs, door de beperkte opzet (die er anderzijds ook voor pleit, beter beperkt en goed dan een mislukte poging tot alomvattendheid) en vooral door het academische schrijven waarin alles wordt uitgelegd, nooit eens een zin eruit springt door een aardige eigen formulering en alles met keurige steekjes aan elkaar wordt geborduurd. Maar toch een interessant stuk. En typisch Literatuur.