Katholieke armoede

Londonderry is de noordelijkste stad langs de Iers-Noord-Ierse grens en als er één plek is waar de verscheurdheid van dit land is terug te vinden, dan is het wel hier. Alleen de naam al. Voor het ene deel van de bevolking is het consequent Londonderry, voor het andere deel al even consequent Derry.

“Welke naam je gebruikt hangt af van met wie je praat”, zegt professor Mari Fidrduff, verbonden aan de Universiteit van Ulster en gespecialiseerd in etnische conflicten. Ik loop haar toevallig tegen het lijf op het busstation van (London)derry. “Protestanten hebben het altijd over Londonderry, katholieken over Derry.”

Maar zelfs van dit kleine verschil is in het begin helemaal niets te merken. Van alle donkere tv-beelden die zich in de loop der jaren in mijn hoofd hebben vastgezet, lijkt niks te kloppen. De zon schijnt in (London)derry en er is geen sprake van asfalt onder een loodgrijze lucht en dikke rookwolken. Wat ik juist zie zijn vrolijk gekleurde winkeltjes achter frisgroene bomen, hypermoderne winkelcentra en gezellige pubs. Ik zie een oud stadje aan een brede rivier, omgeven door groene heuvels. De enig mogelijke omschrijving is idyllisch.

Maar na een dag rondlopen slijten de glimmende kantjes af en worden de eerste barsten zichtbaar. Werkelijk overal hangen camera's en alle winkels, geen enkele uitgezonderd, hebben rolluiken. Pijnlijk nauwgezet zijn de woningen en pubs in het centrum van de stad voorzien van tralies en hekken met prikkeldraad. Hier en daar vertoont het asfalt schroeiplekken alsof er grote branden zijn geweest. En de politie patrouilleert in gepantserde jeeps die eerder doen denken aan legervoertuigen dan aan de onschuldige autootjes waar de agenten in Nederland in rondtuffen.

Wie het centrum van de stad door de Slagerspoort verlaat, passeert ongemerkt een grens en komt terecht in de Bogside, midden in het katholieke Derry. De wijk is armoedig en verslonsd en staat vol agitprop-poëzie over de plastic dood, veroorzaakt door rubber kogels uit politiegeweren. Alles in de Bogside heet Derry en zelfs de plaatselijke overheid heeft zich wijselijk aan dit taalgebruik aangepast en spreekt over het Derry-park en de Derry-vuilnisophaaldienst.

Terwijl ik hier rondloop heb ik het gevoel dat iedereen me ziet, maar niemand op me let. Alle deuren in de Bogside staan open en geen moment voel ik me bedreigd. Ondanks de harde wind ruikt het naar kolen en natte turf. De ommuurde binnenstad torent hoog boven de Bogside uit: vanaf de stadsmuur kijk je er letterlijk op neer. Vanuit het politiebureau dat bovenop de muur is gebouwd wordt elke straathoek van de Bogside met camera's in de gaten gehouden. En op zo'n twintig meter van het politiebureau torent de Apprentice Boys Memory Hall, het hoofdkwartier van de Oranjemannen in Londonderry, hoog boven de stad uit. Zo is stedenbouw een uiting geworden van de heersende maatschappelijke verhoudingen in Noord-Ierland: de protestanten boven - de katholieken onder.

Wie het min of meer neutrale centrum van (London)derry echter via de Nieuwe Poort verlaat, overschrijdt een andere grens en komt terecht in de Waterside, protestants Londonderry. Dit deel van de stad ziet er een stuk welvarender uit dan de Bogside en alle huisdeuren zitten hier stevig op slot. In de Waterside spreekt iedereen over Londonderry, wordt de IRA op muurschilderingen vertrapt, wappert overal de Union Jack en steken de protestantse kerken als reuzen uit boven de rest van de stad.

Eamonn McCann, journalist, opgegroeid in de Bogside en schrijver van 'Oorlog en een Ierse stad', vertolkt het gevoel van veel katholieken in Noord-Ierland als hij zegt: “Natuurlijk is er veel mythevorming, maar feit is dat de Ieren en in het bijzonder de katholieke Ieren vierhonderd jaar werden uitgebuit en onderdrukt door de Britten. De overgrote meerderheid werd onder ellendige omstandigheden geboren en groeide op in bittere armoede. En een van de redenen voor hun miserabele bestaan was de Britse heerschappij. Dat zijn veel Ieren nog altijd niet vergeten.”