Honderdste kaart voor Cor Lems

Cor Lems, voetballer van Dordrecht '90, kreeg zaterdag als eerste speler in het betaalde voetbal zijn honderste kaart. Tijdens de met 5-1 verloren wedstrijd tegen Haarlem trok scheidsrechter Helmstrijd voor de 91ste keer een gele kaart voor de Hagenaar. Lems kreeg tot dusverre negen keer een rode kaart in zijn voetballoopbaan. Zijn eerste gele kaart kreeg hij op 6 september 1980 met het tweede elftal van DS'79. Twee jaar later werd hij op 26 september voor het eerst uit het veld gestuurd tijdens de wedstrijd SC Amersfoort-DS'79.

Bent u trots als eerste speler in het betaalde voetbal honderd kaarten te hebben ontvangen?

Lems: “Nee zeker niet, maar volgens mij zijn het er ook nog geen honderd. Ze hebben dubbel geteld. 'Twee keer geel is rood' rekenen ze als drie kaarten. Ik heb de scheidsrechter ook niet bedankt voor die kaart of zo. Wel voor het fluiten van een heerlijke wedstrijd. Tegen Haarlem met 5-1 verliezen, is niet prettig. Er werden twee man uit het veld gestuurd en ik had het idee dat de scheidsrechter in ons nadeel floot. De kaart die ik kreeg was voor een kleine overtreding. Als het een ander was geweest, was er volgens mij geen kaart getrokken.”

In zeventien jaar tijd heeft u dus honderd kaarten gekregen. Komt dat door uw manier van voetballen of heeft het ook te maken met de reputatie van Cor Lems. Die naam staat toch voor hard spel?

“In het veld ga ik er altijd honderd procent voor. Als je dat niet doet, kun je beter thuisblijven. Buiten het veld ben ik heel anders, veel rustiger. Mijn naam heeft er inderdaad ook mee te maken. Ik krijg sneller een kaart dan anderen, omdat ik Lems heet.”

U heeft ongetwijfeld in sommige gevallen ten onrechte een kaart gekregen. Hoe vaak was een kaart naar uw mening niet op zijn plaats?

“Zeker een kwart van mijn kaarten was onterecht.”

Was u zich bewust van de 'jubileumprent'?

“Nee, ik was me niet bewust van die kaart, maar inmiddels wel. Ik ben gisteren al een paar keer lastig gevallen met felicitaties. Ik ben echt niet trots op al die prenten.”