Groene vrijstaat

Vanaf station Amsterdam Sloterdijk rijdt bus 82 langs Amsterdams meest verwilderde natuurgebied. Wie ernaartoe wil, moet wel weten waar je moet uitstappen, want je mist gemakkelijk de goede halte. “Velsen-Zuid. Dan zijn we veel te ver”, schrikt Roel van Duijn op uit zijn enthousiaste beschouwing over het gratis openbaar vervoer in het Belgische Hasselt. Dan maar de bus terug, maar de buschauffeur rijdt weer een kilometer te ver. “Ruigoord? Ik dacht dat er nog een bushalte kwam”, zegt hij verontschuldigend.

Roel van Duijn, voormalig provo, kabouter, wethouder en biologische boer en huidig fractievoorzitter van De Groenen in Amsterdam, wandelt na de lange bustocht met ferme pas naar Groenoord, het door de aanleg van de Afrikahaven bedreigde natuurgebied nabij het gekraakte kunstenaarsdorp Ruigoord. Actievoerders hebben Groenoord uitgeroepen tot vrijstaat. “Ah, daar is de kerktoren van Ruigoord”, zegt hij opgelucht na een kilometer lopen.

Meer dan een kwart eeuw geleden riep Van Duijn met lotgenoten de Oranjevrijstaat uit, een 'imaginaire staat in een staat', waarmee de partij Amsterdam Kabouterstad in 1970 vijf gemeenteraadszetels behaalde. Nu bivakkeert hij sinds twee weken in Vrijstaat Groenoord, meldt zijn partij in een persbericht. Maar hij is er, eerlijk gezegd, nog niet veel geweest. Zonder auto is het zo lastig bereikbaar, verklaart Van Duijn.

Dertig à veertig actievoerders in de vrijstaat maken zich op voor de ultieme strijd met de bulldozers van de gemeente Amsterdam. Ze hebben zich verschanst in tunnels en boomhutten. Elke nacht wordt er gepatrouilleerd om de komst van de Mobiele Eenheid zo vroeg mogelijk op te merken. “Deze week kan het wel eens raak zijn”, verwacht Van Duijn.

Op de zandduinen in het natuurgebied loopt een vriend hem tegemoet. Samen gaan ze op zoek naar de tent die voorlopig dienst zal doen als “strategisch verlengstuk van de fractiekamer van De Groenen”. De partij zal hier haar openbare fractievergaderingen houden zodat “de gemeente moeilijk stappen kan doen die ertoe leiden dat een gemeentelijke vergadering wordt verstoord”.

In een afgelegen weilandje voorbij 'Groenoord Centrum', een paar tochtige hutten en een uit planken en zeil opgetrokken bar, is een oude legertent neergezet. Van Duijn: “Een legertent past niet bij ons? Jawel hoor, we hebben hier een peacekeeping-taak.”

De paradoxale situatie van anarchist én bestuurder of raadslid, Van Duijn had er begin jaren zeventig geen moeite mee en in de jaren negentig evenmin. In zijn boek En Tranen schreef hij in 1976 over de 'twee-handenstrategie': “(...) infiltratie van het bestaande systeem samen met opbouw van het nieuwe.” Nu zegt hij bijna hetzelfde, terwijl de wind vat begint te krijgen op het zware tentdoek: “We werken met twee handen. We steunen buitenparlementaire acties en tegelijkertijd voeren we strijd van binnenuit.”

Van Duijn vindt zich niet fanatiek, eerder laconiek, maar wel vasthoudend. Terugkijken op de roerige jaren zestig en zeventig doet hij niet graag. “Ik kijk naar de toekomst, alles wat toen belangrijk was is het nog steeds.” En hij zal met veel van zijn idealen gelijk krijgen. Bij de gevestigde bestuurder komt vast ooit het inzicht dat het unieke natuurgebied bij Ruigoord niet verloren mag gaan of had mogen gaan. Net zoals hij gelijk kreeg met zijn pleidooi voor de bouw van woningen boven de A10, plannen waar de Amsterdamse gemeenteraad sinds kort achter staat. “Of ik wel eens niet gelijk heb gekregen? Ja, met de protesten tegen het huwelijk van Beatrix en Claus. Claus is veel aardiger dan ik had gedacht.”