FNV acht tijd rijp voor forse stijging van koopkracht

Voor Henk van der Kolk, coördinator arbeidsvoorwaarden FNV, is het komende CAO-seizoen de vuurproef. Slaagt de vakcentrale erin de balans te vinden tussen de economisch gewenste loonmatiging en de eis dat er geld op tafel moet komen?

DEN HAAG, 15 SEPT. “Die looneis van 3,5 procent staat vast. Daarover gaan we met de werkgevers geen dealtjes maken. Het is een keurige en een reële looneis, vinden we, die prima past in het beleid dat we de afgelopen jaren hebben gevoerd. Wat de werkgevers op centraal niveau ook beloven, van die 3,5 procent geven we geen stukje meer weg.”

Henk van der Kolk, de nieuwe CAO-coördinator van de grootste vakcentrale FNV, windt er geen doekjes om. Het is hoog tijd dat ook de werknemers van Nederland meeprofiteren van het overweldigende economische succes. “Er is alle redenen van de wereld om dit jaar te komen tot een forse koopkrachtstijging.”

Van der Kolk heeft vandaag officieel binnen de federatie laten weten welke looneis in zijn ogen acceptabel is: 3,5 procent extra loon en minimaal 1 procent daar bovenop voor zaken als scholing en verlof. Hoewel de mogelijke percentages zowel binnen als buiten de vakbeweging al wekenlang rondzongen, houdt de FNV-top vast aan haar beleid om de exacte cijfers pas op te stellen als het Centraal Planbureau de Macro Economische Verkenningen (MEV) publiceert.

Wat de FNV betreft mag de loonruimte in het CAO-seizoen 1997/1998 variëren tussen de vier en vijf procent. “We kiezen daarbij tegenwoordig voor een bandbreedte en niet voor een vast percentage, omdat we rekening willen houden met de verschillen tussen sectoren in de economie. In de ene bedrijfstak gaat het nog steeds een stuk beter dan in de andere. En in sectoren waar heel veel geld te verdelen is, zoals bijvoorbeeld in de bankensector, kan er meer dan vijf procent op tafel komen”, aldus Van der Kolk.

CAO-onderhandelaars hebben dan de vrijheid gekregen om zelf samen met de werkgever te bepalen hoeveel ruimte er beschikbaar is voor het hele pakket arbeidsvoorwaarden, aan één onderdeel valt niet te tornen: de maximale looneis. Die eis, voor het komend CAO-seizoen vastgesteld op 3,5 procent, vormt voor iedere onderhandelaar de bovengrens. “Ze kunnen er wel onder gaan zitten, maar niet erboven”, zegt Van der Kolk. Zelf gaat hij ervan uit dat de meeste onderhandelaars zullen inzetten op 3,5 procent concrete loonsverhoging en 1 procent extra financiële ruimte voor zaken als werkgelegenheidsbeleid en scholing, wat in vakbondstermen de 'goede doelen' worden genoemd. Van der Kolk: “In de praktijk zullen de meesten uitkomen op 4,5 procent meer loonruimte”.

In sectoren waar het heel goed gaat, kunnen vakbondsbestuurders daar bovenop geld proberen los te krijgen voor een optie-, aandelen- of winstdelingsregeling. Zo'n regeling moet dan wel voor alle werknemers gelden en mag niet gekoppeld worden aan beoordelingssystemen op basis van individuele prestaties of van resultaten van de afdeling. “Ik kan me voorstellen dat werknemers zo'n regeling voor vermogensvorming best willen. Wij zeggen wel: pas op dat mensen voor hun vermogensvorming niet te afhankelijk worden van het bedrijf. We onderzoeken nog of er mogelijkheden zijn om regelingen te ontwerpen met meer risicospreiding.”

CAO-coördinator Van der Kolk beseft heel goed dat een deel van zijn achterban 3,5 procent extra loon nog steeds als veel te mager zal beschouwen. Mede dankzij het voorbeeldige loonmatigingsbeleid van de vakbonden ziet het Nederlandse bedrijfsleven de winsten van jaar op jaar explosief stijgen. Wordt het geen tijd dat niet alleen de aandeelhouders maar ook de werknemers daarvan volop meeprofiteren? “Het is duidelijk dat er nu economisch veel mogelijk is. Dat we toch kiezen voor een gematigde looneis heeft verschillende redenen. In de eerste plaats zijn we wat betreft de langere termijn van mening dat de lonen niet te hard moeten stijgen. In de tweede plaats hechten we er ontzettend veel belang aan dat mensen die geen loon hebben maar een uitkering een parallelle inkomensontwikkeling kennen. Net zo goed als we er ook aan hechten dat er niet teveel verschillen ontstaan tussen werknemers in de marktsector en de collectieve sector.”

De FNV wil bewust niet alleen op loon inzetten, omdat werkgevers zo de kans zouden krijgen om - nu het economisch goed gaat en er geld genoeg beschikbaar is - allerlei andere 'lastige' zaken af te kopen. Scholing bijvoorbeeld, of herverdeling van arbeid via een kortere werkweek. “Juist in een periode van economische groei moeten we niet alleen investeren in de portemonnee van vandaag maar ook in die van morgen”, zegt Van der Kolk stellig. Dat betekent in de ogen van de FNV doorgaan met herverdeling van arbeid in sectoren waar dat nodig kan zijn. “De 36-urige werkweek blijft op de agenda staan. Bijvoorbeeld in het streekvervoer.”

Wat de komende jaren hoog op de agenda zal staan, is het vergroten van de zogeheten 'werkzekerheid'. “Wat door anderen employability wordt genoemd, maar dat is zo'n modewoord”, lacht Van der Kolk. Met het inzetten op werkzekerheid is de Nederlandse vakbeweging een andere route ingeslagen: niet langer met man en macht proberen om mensen hun baan te laten vasthouden, maar die energie gebruiken om werknememers een betere positie op de arbeidsmarktmarkt te geven. Komen ze dan onverhoopt in de situatie dat ze hun baan verliezen, dan hebben ze een betere positie om intern of extern weer aan de slag te komen. “We gaan van baanzekerheid naar werkzekerheid”, aldus Van der Kolk.

Om werknemers die werkzekerheid te geven moeten werkgevers bereid zijn in de toekomst van hun personeel te investeren, ook als die investering voor hen niet direct van belang is. Goede scholings- en verlofregelingen zijn daarbij belangrijke vereisten. Het liefst zou de FNV zien dat werkgeversverenigingen als VNO-NCW hun leden de opdracht zouden meegeven om met concrete maatregelen aan de slag te gaan. Om dat te bereiken, onderzoekt de vakcentrale nu samen met de werkgeversclubs of het mogelijk is om in de Stichting van de Arbeid over deze onderwerpen tot gezamenlijke aanbevelingen te komen. Echte onderhandelingen zijn er echter nog niet geweest. Van der Kolk wil niet de indruk wekken dat de vakbeweging roomser is dan de paus en lijdzaam afwacht of de werkgevers zich van hun goede kant laten zien. “Als straks blijkt dat er met de werkgevers op centraal en decentraal niveau geen afspraken te maken zijn over zaken als scholing, werkdruk, de mogelijkheid van baanonderbreking, moeten ze niet denken dat ze voor een dubbeltje op de eerste rang kunnen zitten. We rammelen alle ruimte eruit: als zij geen geld willen steken in de goede doelen, behouden wij ons het recht voor alsnog een hogere looneis op tafel te leggen.”