Fixeren euro-koersen niet zonder complicaties

MONDORF-LES-BAINS, 15 SEPT. Met nog vijf kwartalen te gaan voor 1 januari 1999 hebben de minsters van financiën en centrale-bankpresidenten van de Europese Unie dit weekeinde tijdens informeel overleg in Luxemburg een belangrijke horde genomen op de weg naar de Economische en Monetaire Unie (EMU). Zij kwamen een mechanisme overeen dat valutaspeculaties volgend jaar, in de laatste maanden voor de totstandkoming van de muntunie, moet voorkomen.

In de planning tot aan 1999 gaapte tot voor dit weekeinde een gevaarlijk gat. In het eerste weekeinde van mei wijzen de regeringsleiders van de EU-lidstaten de lidstaten aan die zich kwalificeren voor de EMU, op basis van begrotings- en economische resultaten in 1997. Op 1 januari 1999 zijn de wisselkoersen van deze aangewezen EMU-deelnemers onomkeerbaar aan elkaar gekoppeld, waarmee de ene Europese munt, de euro, een feit is.

De acht maanden tussen de vergadering in mei en de geboorte van de euro waren tot nu toe een probleem. In deze tussenliggende periode zou de valutamarkt vrij spel hebben om de onderlinge wisselkoersen van de munten van de aangewezen EMU-deelnemers te bepalen. Zo dreigde de mogelijkheid dat bijvoorbeeld de Duitse mark hoog werd opgedreven, waardoor Duitsland voor de eeuwigheid met een nadelige concurrentiepositie in de muntunie terecht zou komen. Andersom bestond de kans dat sommige landen met subtiele signalen zouden proberen hun munt omlaag te krijgen, om met een concurrentievoordeel in de muntunie te varen.

De dit weekeinde aangekondigde oplossing, die zich in de loop van dit jaar al aftekende, is nu gevonden in het vooraankondigen van de wisselkoersen per 1999: op dezelfde vergadering in mei waarbij de muntunie-deelnemers worden geselecteerd worden ook de onderlinge wisselkoersen bekendgemaakt waartegen de munten van die deelnemers eind dat jaar in de euro opgaan. Dat lijkt een goede garantie voor rust op het valutafront in de tussenliggende acht maanden. Een valutaspeculant kan in de tussentijd speculeren wat hij wil, maar aan het einde van het jaar staan de wisselkoersen toch op vooraangekondigde stand.

Wat de bewindslieden dit weekeinde nalieten is te zeggen welke methode er in mei zal worden gebruikt voor het vaststellen van die koersen. Waarschijnlijk zal het Europese Monetaire Stelsel daar een rol bij spelen. In dat EMS hebben de munten van de deelnemende landen (waaronder alle potientiële EMU-deelnemers) afgesproken centrale koersen, spilkoersen, ten opzichte van elkaar en van de nu bestaande Europese rekenmunt, de ecu. Afwijkingen tot 15 procent boven en beneden die spilkoersen zijn toegestaan.

Na de wilde tijd op de valutamarkt in 1992 en de jaren daarna, en na enige bijstellingen van de spilkoersen, noteren vrijwel alle EMS-munten op dit moment vlakbij hun spilkoers ten opzichte van de andere, zodat de spilkoersen zelf grote kans maken ook de koersen te zijn die straks in mei worden gehanteerd. Het gaat hier overigens om de bilaterale spilkoersen van de munten ten opzichte van elkaar, niet om de ecu-spilkoers. De ecu waar de munten van alle EU-landen in zijn gewogen is in dit opzicht een wezenlijk andere munt dan de euro, waar alleen de munten van de EMU-deelnemers in opgaan.

De spilkoers-methode voorkomt dat er straks, naast het aanwijzen van de deelnemers, in het cruciale mei-weekeinde ook nog strijd moet worden geleverd over de onderlinge wisselkoersen. Er zijn echter complicaties. De eerste is de Ierse munt, het punt. Die munt is in het kielzog van het appreciërende pond sterling het afgelopen jaar mee omhoog getrokken en noteert nu gemiddeld ver, zo'n elf procent, boven zijn spilkoers ten opzichte van de andere Europese valuta's. Vanmorgen daalde het punt licht op de valutamarkt, toen duidelijk werd dat de spilkoers-methode grote kans maakt in mei. Maar de kans is groot dat, wanneer het punt de weg naar beneden niet snel genoeg inzet, er een officiële revaluatie van het punt aankomt. Daarmee krijgt de munt een hogere spilkoers die het eenvoudiger zal maken om straks in mei de methode voor iedereen toe te passen.

Een tweede complicatie is dat de EMU er nu in de praktijk in mei al komt: dan al immers is bepaald dat de munten aan het einde van het jaar aan elkaar vastzitten tegen bekende koersen. Het betekent dat de centrale banken van de EMU-deelnemers vanaf mei moeten gaan opereren als één centrale bank: de peseta zal geen hogere rente mogen kennen dan de mark, omdat de hele valutahandel dan zonder enig wisselkoersrisico in peseta's zal duiken om de extra rente op te strijken, en de vraag naar deze munt een opwaartse druk op de peseta-koers kan zetten. De centrale bankiers erkennen dit, en hebben zich de opstelling als één centrale bank al voorgenomen.

Dat leidt tot complicatie nummer drie. De Europese economie trekt op dit moment flink aan, maar de rente, die in de praktijk wordt bepaald door de Bundesbank, is nog laag en zal vroeg of laat moeten worden opgetrokken. Volgend jaar, als de Europese centrale banken vrijwillig moeten samenwerken, maar de Europese Centrale Bank er nog niet is, kan dat een probleem worden. Frankfurt zal zich beduchter voor inflatie kunnen tonen dan - bijvoorbeeld - Madrid en de rente eerder en verder willen opschroeven. De Bundesbank speelt nog tot mei de leidersrol. Beter de Duitse, en daarmee de Europese, rente vóór mei al afdoende opgeschroefd dan te wachten of er in de acht maanden van vrijwillig overleg voldoende medestanders te vinden zijn voor de Duitse kijk op inflatiebestrijding.