Eurotwist over wie wat betaalt is begonnen

Het gevecht om de centen is begonnen. In het Luxemburgse kuuroord Mondorf-les-Bains openden de ministers van Financiën afgelopen weekeinde de discussie over de toekomstige financiering van de Europese Unie.

MONDORF-LES-BAINS, 15 SEPT. In hun roep om een eerlijker verdeling van de lasten binnen de Europese Unie lijken Duitsland en Nederland de rol te vervullen die de Britse premier Thatcher begin jaren tachtig speelde, toen ze riep: “We want our money back.” Nederland en Duitsland eisen echter niet al hun geld terug, maar ze klagen de verhoudingen van de betalingen aan. Hun verzoek riep verontwaardigde reacties op. Het wordt de 'kampioenen van de integratie' min of meer als verraad aan het Europese ideaal aangewreven.

België (netto ontvanger) waarschuwt voor institutioneel egoïsme dat ingaat tegen de grondslagen van de Europese Unie. Portugal (netto ontvanger) klaagt dat het als klein land niet op de hoogte was gebracht van het Nederlandse offensief. Ieren (netto ontvanger) hebben het over typisch Nederlands rekenen. Ook de Luxemburgse premier Juncker sprak dit weekeinde van “fantasievolle berekeningen” en de Europese Commissie ziet niets in de “simplistische definitie van nettobetaling”.

Nederland liet in Mondorf-les-Bains een lijstje rondgaan met cijfers waaruit moest blijken dat het de grootste netto betaler per hoofd van de bevolking is. Al snel circuleerde een correctie van Luxemburg, dat er in het Nederlandse schema het beste van af komt met een ontvangst uit Brussel van 720 ecu per inwoner. Volgens de Luxemburgse berekening moet dit juist een afdracht zijn van 200 ecu per inwoner. Het verschil werd verklaard uit het ten onrechte meetellen bij de Luxemburgse inkomsten van pensioenen aan werknemers van Europese instellingen, die inmiddels zijn teruggekeerd naar hun eigen land.

De ministers Zalm en Waigel gaan bij hun gezamenlijke kritiek op de verdeling van de lasten binnen de Europese Unie uit van netto bijdragen van de lidstaten. Dat is het verschil tussen wat een lidstaat aan Brussel afdraagt en wat het uit EU-fondsen (vooral landbouw en de structuurfondsen) ontvangt. Dat begrip van netto betalingen is indertijd geïntroduceerd door Thatcher, die vond dat haar land er netto te slecht van afkwam. De Europese Commissie heeft nooit van netto betalingen aan de EU willen spreken, omdat het te gecompliceerd zou zijn om een serieuze berekening te maken. Volgens de Commissie is 25 procent van de inkomsten en 40 procent van de uitgaven moeilijk aan een bepaalde lidstaat toe te rekenen. Daarmee bekritiseert de Commissie de Europese Rekenkamer, die de afgelopen jaren wel overzichten van de netto posities van de lidstaten heeft gepubliceerd.

Eén van de problemen bij de berekening van de netto afdracht is het zogenoemde Rotterdam-effect: een lidstaat met een grote haven draagt veel douanegelden af aan Brussel, voor goederen die de EU binnenkomen of verlaten. Volgens de Commissie beïnvloeden deze importheffingen de Nederlandse afdracht aan Brussel in gunstige zin. “Praatjes die de Commissie rondstrooit”, aldus minister Zalm afgelopen weekeinde. “Een flauwekul redenering.” De importheffingen worden volgens hem pas op de plaats van eindbestemming geïnd, zodat Nederland niet extra profiteert van zijn rol als doorvoerhaven.

Hoewel het begrip van netto betaling omstreden is, staat grofweg vast dat Ierland, Griekenland, Portugal, Luxemburg, Spanje en Denemarken netto ontvangers van de Europese Unie zijn. Luxemburg en Denemarken behoren tot de rijke lidstaten. België speelt ongeveer quitte. Duitsland, Nederland (sinds begin jaren negentig), Groot-Brittannië, Italië en Frankrijk zijn netto-betalers. Duitsland, bruto de grootste betaler aan de EU, betaalt al jaren netto meer dan Frankrijk en Groot-Brittannië samen.

Op de bijeenkomst in Mondorf-les-Bains bestond dan ook wel enig begrip voor de Duitse en Nederlandse verzuchtingen. Nederland heeft het geluk dat het niet alleen staat en bij zijn reclamatie de grote buur aan zijn zijde weet. Het is nu aan de Commissie om de geldruzie te “objectiveren”, met een studie naar bijdragen.

Geen enkel land is echter bereid zijn Brusselse bijdrage te verhogen of zijn inkomsten te verlagen. Bovendien ziet ieder land wel een oneerlijkheid in de Commissie-voorstellen voor de toekomstige financiering van de EU die in juli werden gepresenteerd met de zogeheten Agenda 2000. Frankrijk (netto betaler) berekende dat het in 2006 40 miljard franc extra betaalt aan Brussel en daarmee in feite de uitbreiding van de EU financiert. Griekenland en Spanje (ontvangers) argumenteren dat zij straks minder steun krijgen uit de gemeenschappelijke kas en daarmee dus opdraaien voor de uitbreiding. Zweden (betaler) stelt voor om het speciale systeem dat Groot-Brittannië in 1984 heeft bedongen, waarmee het een deel van zijn bijdragen aan de EU terug krijgt, wordt uitgebreid naar andere lidstaten. Anderen wierpen tegen dat een systeem met uitzonderingen voor iedereen geen uitzonderingssysteem is.

De Commissie schrijft in haar Agenda 2000 geen dringende reden te zien voor snelle verandering van het financieringssysteem, mede omdat invoering van een aparte EU-belasting voorlopig onmogelijk lijkt. De Commissie heeft voorgesteld de verdeling van de lasten over de lidstaten pas opnieuw te overwegen nadat de eerste Midden-Europese kandidaat-lidstaten zijn toegetreden. In de Agenda 2000 doet de Commissie ook voorstellen voor de uitbreiding van de EU en de hervorming van het landbouwbeleid. Met dit totaalpakket bestaat impliciet de dreiging dat een land dat het niet met zijn contributie eens is, de uitbreiding zal tegenhouden. Minister Zalm, die “tot het uiterste” dreigde te gaan, gaf wel toe dat het te ver voert om de uitbreiding tegen te houden als Nederland zijn zin niet krijgt.

Op het gebied van begroting stelt de Commissie in de Agenda 2000 voor dat deze van 1999 tot 2006 stijgt van 92,5 miljard ecu tot 111,4 miljard ecu. Daarmee blijft de begroting al die jaren beneden de 1,27 procent van het bruto nationaal produkt (BNP), de bovengrens die de Europese staats- en regeringsleiders in 1992 in Edinburgh afspraken. Aan de uitgavenkant zijn stijgingen voorzien van de uitgaven voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid en voor de structuur- en cohesiefondsen, bestemd voor steun aan economisch achtergebleven gebieden in de EU. Omdat met dit geld ook kandidaat-lidstaten in Midden- en Oost-Europa moeten worden geholpen om hun economieën aan die van de EU aan te passen, betekent dit dat huidige lidstaten minder geld uit Brussel zullen ontvangen.

Voor boeren is dit nu al reden voor protest. Ze zijn voor uitbreiding van de EU, maar het mag hun niets kosten. Landen die relatief veel geld uit de structuur- en cohesiefondsen ontvangen - Ierland, Portugal, Spanje, Griekenland en (Zuid)Italië - zijn ook op hun hoede. Volgens Zalm moeten de structuurfondsen voortaan gekoppeld worden aan de welvaart van een land en niet aan die van regio's. Hij vindt het ook best als Nederland niets meer ontvangt uit de steunpotten, mits dit van de afdracht aan de EU kan worden afgetrokken zodat Den Haag zelf kan bepalen welke regio's gesteund worden.

Voor de inkomsten is de EU afhankelijk van verschillende bronnen. Allereerst gaan de douanerechten die de lidstaten heffen op goederen die van buiten de EU worden ingevoerd naar Brussel. Verder ontvangt de EU landbouwheffingen op producten uit derde landen en producentenbijdragen voor suiker en isoglucose. Van de BTW die in de lidstaten wordt geheven gaat een deel naar de EU.

De begrotingsstrijd zal zich nog lang voortslepen. De huidige EU-begroting loopt tot het jaar 2000 en geen land wil te vroeg toezeggingen doen. Dat de discussie nu al is geopend, is het gevolg van een verzoek eind 1995 van de staats- en regeringsleiders aan de Commissie om tegelijk met een voorstel voor uitbreiding van de EU plannen te presenteren voor de toekomstige financiering. Vooral Nederland drong hier toen op aan. Als de ministers van Financiën het niet tijdig voor 2000 met elkaar eens worden, moeten tenslotte de Europese staats- en regeringsleiders de knopen doorhakken.