Componist Elgar kon niet zonder extra muze

The tenth muse, Ned.3, 20.31-21.22u.

De Engelse componist Sir Edward Elgar, over wie de NPS vanavond de gedramatiseerde korte film The tenth muse uitzendt, is buiten Engeland vooral bekend om zijn raadselachtige Enigma variaties (1899) en zijn Celloconcert (1919). Zijn koorwerken als The dream of Gerontius, The Apostles en The Kingdom zijn typisch Engelse favorieten. Het beroemdst is Elgar in eigen land om de Six Pomp and circumstance marches, waarvan een deel later de tekst Land of hope and glory kreeg. Het wordt nog steeds hartstochtelijk gezongen op 'The last night of the Proms', ook afgelopen zaterdagavond weer tijdens het traditionele slotconcert in de Royal Albert Hall onder leiding van Andrew Davis.

Andrew Davis is ook te zien in The tenth muse, als dirigent van het BBC Symphony Orchestra. Hij leidt in een kerk een repetitie van Elgars Celloconcert, gespeeld door de celliste Natalie Clein. Ondertussen dwaalt de 61-jarige Elgar (gespeeld door James Fox) in de ommegangen rond. Zijn gedachten zijn bij de Hongaarse violiste Jelly d'Aranyi, nog slechts 24 jaar oud. Haar vioolspel en haar temperamentvolle persoonlijkheid inspireerden hem tot het voltooien van het Celloconcert. De compositie wilde aanvankelijk niet lukken, Elgar werd in beslag genomen door de ongeneeslijke ziekte van zijn echtgenote Caroline Alice Roberts.

Elgar beschouwde d'Aranyi, zoals hij haar schreef, als zijn 'tenth muse', zijn tiende muze. Elgar legt haar in de film uit dat hij het begrip ontleent aan Shakespeare: 'Be thou the tenth muse, ten times more in worth than those old nine, that rhymers invocate.'

Edward Elgar, in 1857 geboren als zoon van een organist, violist en muziekhandelaar, had een muze nodig om te kunnen componeren. Zijn carrière begon pas goed toen hij in 1889 was getrouwd met Caroline Alice Roberts. De Froissart Overture (1890) was zijn eerste echte succes en de Serenade for String Orchestra was het cadeau aan zijn echtgenote op hun derde trouwdag.

Als Caroline in 1919 op sterven ligt, verdwijnt Elgars inspiratie, tot hij Jelly d'Aranyi ontmoet. Elgar leeft op, laat haar zijn Vioolsonate spelen (in de film hoort men Maxim Vengerov) en stelt haar ook voor aan zijn echtgenote. Het blijft een platonische relatie - maanden na de dood van mevrouw Elgar poogt de componist zijn muze te kussen, maar zij vlucht in een taxi. De film eindigt met een quasi-diepzinnig gesprek tussen Elgar en een vriend op een brug. “Vroeger dacht ik dat muziek geschreven stond in de lucht en dat ik die alleen maar hoefde te noteren. Nu weet ik dat muziek geschreven staat in water.”

Na d'Aranyi's vertrek was het gedaan met het componeren van Elgar. Hij schreef niets meer van belang en bracht zijn tijd door met het in ontvangst nemen van eerbewijzen - hij werd eredoctor aan bijna alle Engelse universiteiten. In 1904 werd Elgar al 'Sir', in 1931 kreeg hij de titel 'baronet', in 1934 stierf hij.

Hoeveel belangwekkender was niet het late leven van de veel belangrijker Tsjechische componist Leos Janácek. Hij was drie jaar ouder dan Elgar en hij ontmoette zijn muze Kamila Stösslová in 1917, twee jaar eerder dan zijn Engelse collega d'Aranyi tegenkwam. Voor Janácek begon toen het echte leven. Hij schreef voor hij in 1928 overleed nog vier opera's (Katja Kabanová, Het sluwe vosje, De zaak Makropoulos en Uit een dodenhuis) en ook twee strijkkwartetten. Van het componeren van het laatste deed hij per post verslag aan Kamila en het kwartet zelf heet ook Intieme brieven.