Waar blijven de kinderen na school?

Het gebrek aan kinderopvang breekt veel werkende moeders op. Vooral schoolgaande kinderen vormen een bijna onoplosbaar probleem. Wie met veel moeite een plaatsje voor zijn kroost heeft kunnen vinden, moeten alles tot op de minuut plannen.

UTRECHT, 13 SEPT. Kort voor de bel verzamelen vrouwen met fietsen zich op het Utrechtse schoolplein. Er is één man. Na de bel heeft oppasmoeder Josina Heuvelsland al snel de grootste kinderschare om zich heen. Twintig tot veertig leden telt haar 'Club Red, Yellow and Blue', particuliere naschoolse opvang voor scholieren van vier tot twaalf jaar. Voor 25 gulden per week mogen de kinderen in Josina's huis spelen met lego, blokken, techno-flippo's, poppen, ganzenbord, klei. De kinderen moeten zich houden aan zeventien clubregels, waaronder 'Josina is de baas' en 'Als ik twee keer fluit kom je onmiddellijk!'.

De opvang eindigt om kwart over vijf, te laat ophalen kost ouders ƒ 1,50 per kwartier. De boete schrikt niet iedereen af. “Sommige ouders komen doodleuk om acht uur 's avonds aanzetten”, zegt Heuvelsland, die oppast uit idealisme en er geld op toelegt. “Die denken dat ze mijn hele privé-leven kunnen kopen.”

Nederland kent een groot tekort aan kinderopvang. Hoewel er tussen 1990 en 1994 met behulp van subsidies ruim 51.000 nieuwe opvangplaatsen zijn gekomen voor kinderen van nul tot vier jaar, stonden in 1995 nog ruim 56.000 kinderen op de wachtlijsten van kinderdagverblijven, bedrijfscrèches en gastouderbureaus. Volgens de VOG, de ondernemersorganisatie voor onder meer kinderopvang, is de situatie sindsdien niet noemenswaardig verbeterd. Met de huidige 70.000 opvangplaatsen voor kinderen van nul tot vier (waarvan 125.000 kinderen gebruik maken) verkeert Nederland nog altijd in de onderste regionen van Europa. Nog nijpender is het tekort aan buitenschoolse opvang, voor kinderen van vier tot twaalf. De bestaande voorzieningen bieden plaats aan zo'n 13.750 scholieren. Voor kinderen boven de twaalf is er nagenoeg niets.

De arbeidsparticipatie van vrouwen hangt direct samen met de mogelijkheden voor kinderopvang, zo meldden deze week maar liefst drie rapporten van onder meer het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI). Het ene rapport stelde vast dat de helft van de vrouwen na de geboorte van haar eerste kind stopt met werken, veelal omdat ze de combinatie van baan en huishouden te zwaar vindt.

Het andere constateerde dat alleen al het vooruitzicht van die last veel hoogopgeleide vrouwen ertoe brengt het krijgen van kinderen bijna eindeloos uit te stellen. Alle onderzoekers wezen in dit verband op de gebrekkige mogelijkheden voor kinderopvang en zorgverlof.

De Utrechtse Jessica Blijderveen (29) gaf een administratief baantje op toen haar twee kinderen naar school gingen. “Dat was tot vijf uur 's middags, dat vond ik te lastig.” Ze doet nu vijftien uur per week schoonmaakwerk, wat aanzienlijk minder oplevert. Monique Evers (37), tandartsassistente in Alphen aan den Rijn, werkte fulltime tot de geboorte van haar eerste kind. Na de bevalling pakte ze de draad weer op met tweeëneenhalve dag per week. Een jaar na de geboorte van haar tweede kind leverde ze nog een halve dag in. “Het was niet meer vol te houden. Je moet steeds maar die oppas regelen.”

Vergeleken bij de opvang voor scholieren zijn de mogelijkheden voor kinderen tot vier jaar nog riant. In het centrum van Utrecht bieden scholen en gemeente geen enkele vorm van buitenschoolse opvang, zodat ouders afhankelijk zijn van buren, vrienden en kennissen. “Elk jaar in september loop ik er weer tegenop”, zegt Hella van Otterloo (42), alleenstaande moeder van twee kinderen. De club van oppasmoeder Heuvelsland is de enige opvangmogelijkheid voor haar zoon Roel, maar zijn school staat in een ander deel van de stad. Roel (7) reist nu dagelijks per taxi van school naar club. Van Otterloo werkt op een deeltijdcontract als ambtenaar bij de gemeente Maarssen. Omdat ze geen vaste aanstelling heeft, draagt haar werkgever niet bij in de kosten.

Kinderdagverblijven verruimen volgens de VOG steeds vaker hun openingstijden, of passen zich anderszins aan de wensen van ouders aan. Hier en daar bestaat al '24 uurs-opvang', zoals in kindercentrum Dientje van de stichting Kinderopvang DAK in Den Haag. Vooral ouders met onregelmatig werk, zoals agenten, brandweerlieden, stewardessen en journalisten maken hier gebruik van. De voorziening kost 2.280 gulden per jaar voor gemiddeld één dagdeel opvang per week. Meestal betaalt de werkgever.

Scholen voelen zich meestal niet geroepen rekening te houden met werkende moeders. Heuvelsland kan zich wild ergeren als haar oppaskinderen weer eens een half uur te laat de school uitkomen, of als er iemand moet nablijven. “Een school moet op tijd beginnen en eindigen, zeker in een tijd waarin ouders alles tot op de minuut moeten plannen. Dat nablijven moeten ze afschaffen.”

Minister Melkert (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) heeft in juli een bedrag van 160 miljoen gulden beschikbaar gesteld voor uitbreiding van de buitenschoolse opvang met circa 25.000 plaatsen tot het jaar 2000. Voor elke nieuwe plaats die gemeenten creëren kunnen zij drieduizend gulden subsidie krijgen, de helft van de geschatte kostprijs. Het resterende bedrag moet worden betaald door ouders en werkgevers.

De VOG heeft al gewaarschuwd dat een kostprijs van zesduizend gulden “het absolute minimum” is voor een plaats in de buitenschoolse opvang. Deze zou duurder zijn dan die in de dagopvang, onder meer als gevolg van vervoerskosten en kosten voor knutselmateriaal.

Hella van Otterloo vindt de maatregel van Melkert “een wassen neus”. “De kosten gaan meer in de richting van de tienduizend gulden per plaats. Op deze manier blijft opvang alleen voor de hogere inkomens bereikbaar.”